|
Anders dan de overige delen in de serie is deze categoriale studie niet gewijd aan een architectonisch fenomeen, maar aan een bijzondere vorm van beeldende kunst: de monumentale of architectonisch gebonden kunst zoals die werd gepraktiseerd tijdens de wederopbouwperiode 1945-1965. Het gaat daarbij om tweedimensionele wand- en raam- of glazenierskunst en twee- en driedimensionele reliëf- of beeldhouwkunst in of aan gebouwen. Dit onderwerp dat wel sterk verweven is met architectuur, maar zelf geen architectuur ís, zal deze categoriale studie grotendeels ook een ander karakter geven.
De monumentale kunsten zijn na de Tweede Wereldoorlog buitengewoon actief beoefend geweest door talloze kunstenaars. Er bestonden opleidingen voor en de overheid ontwierp er specifieke financieringsregelingen voor. Er was destijds om allerlei redenen sprake van een machtig en sterk draagvlak, ook bij particuliere opdrachtgevers. Waarschijnlijk zijn de mate waarin en de wijze waarop de monumentale kunst in Nederland is gerealiseerd zelfs uniek in de wereld. Haar manifestatie was niet zo links, groots en propagandistisch spectaculair als in Mexico (de Mexicaanse wandkunst was in Nederland al voor de oorlog bekend en bleef dat ook na de oorlog), want Nederland is een burgerlijk-monarchale democratie, maar wel minstens zo ‘opbouwend’. Nu echter is die hele ontwikkeling opvallend genoeg, vrijwel uit het collectieve bewustzijn verdwenen en behoren haar resultaten tot de minst bekende naoorlogse kunst in Nederland. De monumentale kunst uit de wederopbouw-periode wordt om die reden verwaarloosd, bedreigd en vernietigd.
De eerste doelstelling van deze studie is dus om vanuit architectuurhistorische én kunsthistorische optiek een instrumentarium te smeden waarmee opnieuw interesse gewekt kan worden voor een kunstvorm die haar attentiewaarde en draagvlak dramatisch heeft verloren, om te beginnen door haar te beschouwen als volwaardig ‘nieuw erfgoed’ dat (eventueel) voor bescherming in aanmerking komt. Het eerste uitgangspunt is het wat, waarom en hoe ervan aan de orde te stellen, wat onder andere gebeurt door het geven van soms bijna casusachtige voorbeelden, die in de verschillende aan technieken gewijde hoofdstukken ter sprake komen. Een algemene inventarisatie kan deze studie nog niet zijn (waarover meer verderop).
De tweede doelstelling is te komen tot een synthese van een architectuurhistori-sche en kunsthistorische beoordeling bij de waardering van gebouwen met monumentale kunstwerken. Het gaat daarbij om een vorm van kunst, die binnen de algemene context van de beeldende kunst zelf een categorie vertegenwoordigt, namelijk die van de ‘niet-vrije, gebonden- of gebruikskunst in een architectonische setting’. Met het begrip ‘niet-vrij’ maakt ze feitelijk deel uit van een ‘ensemble’ en als zodanig is ze ook fysiek onzelfstandig, want buiten het ensemble – namelijk buiten de nagelvaste context van de architectuur - kan ze slechts onder zeer bepaalde, gecontroleerde condities blijven bestaan. De onzelfstandigheid geldt niet alleen de reële, fysieke materialiteit van het object -de afmetingen en het gewicht ervan wanneer het eenmaal is losgemaakt– het- ze geldt ook voor de plaatsgebonden ‘metafysische’ specifiteit van vorm en betekenis. Losgemaakt uit zijn ensemblecontext verliest het werk zijn vaak bedoelde functie van ‘explicateur’ van functie of bedoeling van het gebouw. De gebondenheid van dit soort werk komt ook nog op een andere manier tot uiting: de immobiliserende omvang ervan maakt dat objecten van wandkunst vrijwel ‘onverzamelbaar’ zijn, dit in tegenstelling tot objecten van ‘vrije kunst’.5 Deze studie wil het belang duiden van de monumentale kunst als onderdeel van het gebouwd erfgoed en daarmee een eerste aanzet geven voor het gezamenlijk waarderen en -in de toekomst- selecteren. Bij het waarderen en selecteren dient de monumentale kunst een wezenlijk bestanddeel te zijn. Dit dient ook tot uitdrukking te komen in de waarderings- en selecteringscriteria ten behoeve van toekomstige rijksmonumenten.
|