|
De twee belangrijkste academies met universitair onderwijs die in de naoorlogse periode van belang zijn geweest voor de monumentale kunsten zijn allereerst de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam en de Katholieke Academie voor Beeldende en Toegepaste kunsten, de ‘Jan van Eyckacademie’ in Maastricht. Daarnaast waren er niet-universitaire opleidingen van betekenis zoals de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam.
AMSTERDAM - RIJKSACADEMIE VOOR BEELDENDE KUNSTEN
De reputatie van de Monumentale en Versierende Kunsten aan de Rijksacademie (RA) werd voor 1935 bepaald door Richard Roland Holst (1868-1938). Zijn onderwijs en zijn kunst stonden bekend als gemeenschapskunst met een inhoudelijke boodschap van socialistische strekking. Nadat hij de post van directeur en hoogleraar neergelegd had, werd de Duitser Heinrich Campendonk (1889-1957) aangesteld. Deze voormalige docent wand- en glasschilderkunst, mozaïek- en gobelinkunst van de Dusseldorfse Kunstgewerbeschule, was een leerling van de Nederlandse kunstenaar Johan Thorn Prikker (1868-1932). Campendonk was bekend geworden door zijn deelname aan de beroemde expressionistische kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter (1911-1914). Hij moest voor de nazi’s naar het buitenland vluchten, omdat zijn kunst als ‘entartet’ verklaard werd en hij zich bedreigd voelde. Na zijn aanstelling aan de RA in 1935 gaf hij zijn eigen signatuur aan het monumentale kunstonderwijs. Hij benadrukte een vakmatige houding bij de kunstenaars, met een degelijke kennis en beheersing van het materiaal en de formele kanten als vormgeving en compositie. De kunst moest daarbij wel, net als bij Roland Holst, dienstbaar zijn aan de architectuur. Omdat de muur immers vlak of plat was, waren volgens Campendonk ook ruimtesuggestie of perspectief hier niet op hun plaats. De uitvoering bepaalde of iemand een goede kunstenaar was. Subjectieve uitingen en moralistische of politieke visies waren taboe en die opvattingen klonken door bij zijn talloze leerlingen. Ook onderwerpen als verdriet en vreugde waren te persoonlijk om te verbeelden op een wand: ‘op de muur wordt niet gelachen en niet gehuild’. Zelfs de zon en de maan, de regen en de wind, behoorden volgens hem niet tot de wand, evenmin als felle kleuren. De kunst van Campendonk en van veel werk van zijn trouwe leerlingen kenmerken zich door het abstraheren van de figuratie en het gebruik van zachte kleuren. Zijn gebrandschilderde glas-in-loodramen voor de Amsterdamse First Church of Christ Scientist uit 1937 worden gerekend tot de belangrijkste binnen zijn Nederlandse oeuvre.10
AFBEELDING 3.1 HEINRICH CAMPENDONK (1889-1957), HOOGLERAAR RIJKSACADEMIE AMSTERDAM
Tot Campendonks leerlingen worden gerekend Pieter Defesche (1921-1998), Jef Diederen (1920), Jan Dijker (1913-1993), Gène Eggen (1921-2000), Jan Groenestein (1919-1971), Lex Horn (1916-1968), Berend Hendriks (1918-1997), Marianne van der Heijden (1922-1998), Harry op de Laak (1925), Marius de Leeuw (1915-2000), Theo Linnemann (1925), Jaap Min (1914-1987), Albert Muis (1914-1988), Hans van Norden (1915), Ernee ‘t Hooft (1911-2004), Max Reneman (1923-1978), Anton Rovers (1921-2003), Albert Troost (1924), Jeroen Voskuyl (1914-1959) en Dick Zwier (1915-1993).11
Met de stelling ‘architectuur is beeldhouwkunst, beeldhouwkunst is architectuur’ gaf Jan Bronner (1914-1957), hoogleraar Beeldhouwkunst aan de Rijksacademie, zijn visie op de beeldhouwkunst weer. 12 Bronners academische opleiding met figuratieve, klassieke beelden verraadde de voorliefde voor Rodin, Maillol en Despiau en vormde de generatie van Paul Grégoire (1915-1988), Pieter d’Hont (1917-1997), Cor Hund (1915), Jan Meefout (1915-1993), Andre Schaller (1920-1981) en Johan Sterenberg (1920-2003). Later werden enkele van zijn leerlingen docenten aan andere academies, zoals Arie Teeuwisse (1919-1993) in Rotterdam, Henk Zweerus (1920) aan het Amsterdamse Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (IVKNO) -de tegenwoordige Rietveldacademie- en daarna aan de Technische Hogeschool in Delft, waar ook zijn leerling Jacques van Rhijn (1921) college gaf. Piet Esser (1914-2004), Bronners leerling en opvolger als professor aan de Rijksacademie vervolgde het traditionele onderwijs met anatomisch juist geproportioneerde figuren. Zijn leerlingen Nel van Lith (1932), Ek van Zanten (1933), Roel en Auke Hettema (1927-2004) en ook Nic Jonk (1928-1994) kregen naast rijksopdrachten ook veel gemeentelijke opdrachten.
AFBEELDING 3.2 JAN BRONNER (1914-1957) OP HET ATELIER AAN HET WERK AAN HET HILDEBRANDMONUMENT
MAASTRICHT - JAN VAN EYCKACADEMIE
In 1941 werd aan de in 1934 opgerichte kunstnijverheidsschool Stadsacademie voor Toegepaste Kunsten de opleiding Monumentale Kunst ingesteld door de directeur Jef Scheffers (1906) samen met Eugène Laudy (1921-1994). De bekendste leerlingen waren onder anderen Frans Cox (1917-1997) en Frans Slijpen (1923-1994). De keuze voor een vervolgopleiding was indertijd voor Limburgers óf de Academie in Antwerpen óf de Amsterdamse Rijksacademie. Na de oorlog, in 1948 werd de zuidelijke, katholieke pendant van de Rijksacademie opgericht: de Katholieke Academie voor Beeldende en Toegepaste Kunsten, Jan van Eyckacademie. Bekende katholieken, meestal Limburgers, bepaalden het gezicht van de opleidingen, zoals docent Grafische Vormgeving Huub Levigne (1905-1989). De eerste docent glaskunst was de in Wageningen geboren Jos ten Horn (1894-1956), volgens de schrijver Joseph Viegen: ‘om de levende traditie (…) te verjongen en te verdiepen’.13 Zijn leerlingen Jan Tillemans (1915-1980) en Hans Truijen (1928), maar ook andere Limburgers als Frans Cox en Jerôme Goffin (1921-1963) verschilden vooral van de studenten van de Amsterdamse academie door een warm en fel kleurgebruik in navolging van de gotische kerkramen van Chartres. Het maken van glas-in-loodramen, met name voor katholieke kerken, behoorde tot een zuidelijke specialiteit (Roermond en Maastricht).
AFBEELDING 3.3 JOS TEN HORN, GEBRAND-SCHILDERD GLAS-IN-LOOD, 1956. BASILIEK VAN HET HEILIGE SACRAMENT TE MEERSSEN
De vormentaal van veel Limburgers toonde de invloed van de byzantijnse, romaanse en/of vroeg-gotische kerkramen, maar ook van moderne kunstenaars als Marc Chagall, George Rouault en Massimo Campigli. Na het overlijden van Jos ten Horn werd Albert Troost aangesteld voor het onderwijs in glaskunst (in 1965 werd hij hoogleraar-directeur van de academie). Troost die bij Campendonk was opgeleid, legde het accent meer op de formele aspecten van de kunst in plaats van op de katholieke beeldtaal. De invloed van zijn glaskunst, gekenmerkt door sterke composities van grote en kleine vormen (bijvoorbeeld de ramen in de Maastrichtse kerk Onze Lieve Vrouwe van Goede Raad), is te zien in het werk van zijn leerlingen, zoals Herman Hollewand (1934), Theo Mols (1929), Jon Marten (1934) en Gerard van Iersel (1934). Het katholieke imago van de academie werd in de beginjaren onderstreept door het bisdom. De visie van Rome was een afkeer van de moderne kunst en daar werd ook bij de monumentale kunstopleiding rekening mee gehouden. Volgens de monumentale kunstenaar Gène Eggen zou Priester Leo Linssen, lid van de Bisschoppelijke Bouw Commissie, de academie als voorwaarde voor kerkelijke opdrachten stellen. Zonder deze katholieke opleiding werd door de BBC namelijk getwijfeld aan een juiste ‘godsdienstige instelling volgens de Traditio Christiana’ van de kunstenaar.14
Onder leiding van Charles Vos (1888-1954), Oscar Jespers (1887-1970) en Fred Carasso (1899-1969) werden beeldhouwers op de Jan van Eyckacademie opgeleid. Onder hen Piet Killaars (1922) en Rob Stultiëns (1922-2002). De kunstenaars van wie de meesten veel religieuze beelden en reliëfs maakten, verschilden te veel van elkaar om een groepering te vormen.
ROTTERDAM - DE ACADEMIE VOOR BEELDENDE KUNSTEN
De Rotterdamse Academie of voluit De Academie voor Beeldende Kunsten, bleef vooral van belang op lokaal niveau. Jac. Jongert (1883-1942), docent stijl- en ornamentleer en Piet Zwart (1885-1977), docent stijl- en ornamentleer van 1919 tot 1933, hebben hun stempel gedrukt op het Rotterdamse kunstonderwijs. Zij onderhielden contacten met Theo van Doesburg, terwijl Zwart - wat te zien was in zijn lessen - ook een fervente aanhanger was van het Bauhaus. Stilistisch vertoonde de academie indertijd een voorkeur voor geometrisch abstracte kunst en op het technische vlak werd veel aandacht geschonken aan niet-traditionele kunsttechnieken zoals fotografie. De academie heeft vooral bekendheid verworven door hun experimenten met kleurlithografie en houtsnedes. De bekendste monumentale kunstenaars die hier les kregen waren Wally Elenbaas (1912), Daniël den Dikkenboer (1918-1979) en Louis van Roode (1914-1964). Zij maakten tevens deel uit van de drie kunstenaarsverenigingen Argus (Van Roode), de Venstergroep en de groep r.
|