|
AFBEELDING 3.4 PIET ZWART (1885-1977) IN HET ATELIER VAN JAN WILS, RECHTS OP DE FOTO, CA. 1921
De eerste naoorlogse groepering van monumentale kunstenaars was de vakgroep wandschilders van de Gebonden Kunsten Federatie (GKf), die in 1952 overging in de Vereniging van Beoefenaars van Monumentale Kunsten (VbMK). De vaste kern bestond uit oud-leerlingen van de in Amsterdam gevestigde Rijksacademie, opgeleid door hoogleraar Heinrich Campendonk. De tweede grote vereniging was de LIGA Nieuw Beelden, een samenstelling van architecten en beeldende kunstenaars.
De vrije, beeldende kunstenaarsverenigingen, waren niet direct gericht op monumentale kunst, maar een groot aantal leden van bijvoorbeeld de Nederlandse Kring van Beeldhouwers (NKB), groep r, Vrij Beelden, Creatie, Cobra of de Realisten waren wel actief in deze gebonden kunstsector. Het is daarom van belang de relevante kunstbewegingen te belichten, omdat de overtuigingen van de kunstenaars en de architecten op het politieke en op het artistieke vlak door deze groeperingen onder woorden werden gebracht. De monumentale kunstenaars waren vooral maar niet alleen in Amsterdam geconcentreerd. Ook in Rotterdam, in Den Haag en in het katholieke Limburg met de hoofdstad Maastricht waren toonaangevende kunstenaars aanwezig.
MONUMENTALE KUNSTENAARSVERENIGINGEN IN AMSTERDAM
GEBONDEN KUNSTEN FEDERATIE, SECTIE WANDSCHILDERS (1946-1951)
Nadat de socialistisch georiënteerde Vereniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst (VANK) zich in 1941 ontbond om het door de bezetter verplichte lidmaatschap van de Kultuurkamer te ontlopen, werd na de oorlog het gemis aan de monumentale kunstenaars door de architecten gevoeld en onder woorden gebracht in het Bouwkundig Weekblad: “Juist de groep waar naar de primaire belangstelling van den architect uitgaat, die der bouwbeeldhouwers, glazeniers en schilders ontbreekt”. 15 De in 1946 tot stand gekomen Nederlandse Federatie van Beroepsverenigingen van Kunstenaars (Federatie) besloot daarop tot de oprichting van de Vakgroep wandschilders binnen hun onderafdeling: de Gebonden Kunsten Federatie (GKf). Het initiatief kwam van Willem Sandberg, de directeur van het Stedelijk Museum (SM), tijdens de tentoonstelling Weerbare Democratie (1946) in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. De daar aanwezige kunstenaars Jan Bons (1918), Charles Eyck (1897-1983), Lex Horn, Theo Kurpershoek (1914-1998), Lex Metz (1913-1968), Gerrit van ’t Net (1910-1971), Hans van Norden, Charles Roelofsz (1897-1962), Kees Timmer (1903-1978) en Daniël Wildschut (1913-1995) vormden sindsdien de vaste kern van monumentale kunstenaars. De groep die elkaar uit het verzet kende, bleef aanvankelijk zo anoniem mogelijk vanwege de gevoelige, sociaal getinte

AFBEELDING 3.5 WEERBARE DEMOCRATIE, 1946, WANDSCHILDERINGEN TENTOONSTELLING NIEUWE KERK, AMSTERDAM
onderwerpen uit de bezettingstijd. Vergelijkbaar met de Guernica van Picasso beschilderden de tien schilders panelen met een monumentaal formaat, samen tientallen meters lang en 2.75 m hoog. 16 Deze sectie wandschilders van de GKf stond zowel onder leiding van Sandberg als van de (marxistische) architect Mart Stam (1899-1986). 17
De federatie organiseerde in 1948 in het Stedelijk Museum een tentoonstelling Wandschilders Experimenteren. Het was voor het eerst dat kunstenaars en architecten na WO II samen in één project zaten. Leden van de Amsterdamse architectengroep ‘De 8’ 18 hadden maquettes gemaakt voor diverse gebouwen, zoals een synagoge en een studentenhuis. De kunstenaars toonden hun monumentale toepassingen op ware grootte in diverse technieken: sgraffito (Anton Rovers, 1921-2003), marmer-mozaiek (Jan Peeters, 1912-1992), baksteenmozaïek (Jan Groenestein, 1919-1971), glas-in-lood (Berend Hendriks, 1918-1997) en gobelin (Jan Bons). De communistische krant De Waarheid beschreef en bekritiseerde de voorstellingen: “Stieren zweven door de ruimte, hondjes staan vreemd tegen het wandvlak aan geplakt, geschilderde vrouwen leunen op echte deuren en meer van dergelijke onzuiverheden in opvatting.” 19 In de discussie die daarop volgde kwam er ook kritiek van de kant van de architecten: ze hadden niet samengewerkt, maar na elkaar. Ook de kunstenaars waren verontwaardigd, want ze voelden niets voor een van te voren opgestelde ‘geloofsbelijdenis’ waar deze sociaal of zelfs communistisch geëngageerde architecten om hadden gevraagd. De Waarheid constateerde dat er bij deze kunstenaars van een socialistische doelstelling inderdaad geen sprake was: “het is geen gemeenschapskunst, kan het niet zijn omdat zij niet door een gelijkgerichte gemeenschap gedragen wordt en geen beroep doet op gemeenschappelijke gevoelens.” 20 Dat conflict kwam ook over als een vorm van naoorlogse ‘zuivering’ om kunstenaars, die ooit lid van de Kultuurkamer waren geweest, uit te sluiten. 21
VERENIGING VAN BEOEFENAARS VAN MONUMENTALE KUNSTEN (1952-1968)
In 1951 stapten de wandschilders uit de GKf omdat deze federatie naast de monumentale kunsten steeds meer ruimte gaf aan kunstnijverheid en industriële vormgeving. Nadat Sandberg in 1950 zijn voorzittersfunctie van de GKf had neergelegd, was hierover tussen de kunstenaars en de GKf een conflict ontstaan. De kunstenaars richtten in 1952 de Vereniging van Beoefenaars van Monumentale Kunsten (VbMK) op, waarmee zij beoogden een vakorganisatie te zijn voor alle monumentale kunstenaars - ongeacht of ze katholiek, protestants of socialist waren, realist of abstract werkend - mits ze (in hun ogen) vakbekwaam waren. Als niet-realist was Karel Appel het bekendste lid. De leden kwamen uit alle delen van het land: Groningen (Johan Dijkstra 1896-1978), Friesland (Jentsje Popma 1921), Overijssel (Johan Haanstra 1914-1991), Gelderland (Lex Horn), Brabant (Pieter Wiegersma 1925-2006, Egbert Dekkers 1908-1983, Jan Dijker, Marius de Leeuw, Albert Troost 1924) Rotterdam (Dick Elffers 1910-1990, Wally Elenbaas, Frans Jacobs 1913-1985, Guus de Ruiter 1924-2000, Kees Timmer, Henk de Vos 1911-1982) en Den Haag (Kees Andrea 1914-2006, Herman Berserik 1921-2002). De meeste leden waren opgeleid in Amsterdam, maar sommigen in Maastricht of in Rotterdam.

AFBEELDING 3.6 WANDSCHILDERS EXPERIMENTEREN, 1948, TENTOONSTELLING IN HET STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM
De VbMK onderhield contacten met de Nederlandse Kring van Beeldhouwers (NKB), Architectura et Amicitia (A&A) en de Bond van Nederlandse Architecten (BNA). Hendriks, Bons en Van Norden schreven ook regelmatig in Forum, maandblad voor architectuur en gebonden kunsten (een uitgave van A&A, BNA en GKf) en in het Bouwkundig Weekblad. De vereniging organiseerde tentoonstellingen waarvan Opdracht in 1956 als belangrijkste gezien werd. Op de benedenverdieping van het Stedelijk Museum lieten de meest toonaangevende
AFBEELDING 3.7 MK MONUMENTALE KUNST, 1955
kunstenaars diverse werken en verschillende technieken zien. Ze gaven daarbij in het boekje Ruimte, Beeldende kunst in samenwerking met architectuur en in Forum 1956 uitleg over de technieken en de prijzen van kunstwerken gerekend per oppervlak. Na de tentoonstelling groeide het aantal opdrachten. Met gemiddeld 50 tot 80 leden had ze veel werk, dat ook kwam van het in 1951 opgerichte Kunst en Bedrijf. 22 Bettina Spaanstra-Polak publiceerde in Teken aan de wand (1963) 51 portretten met kunstwerken van de VbMK-kunstenaars. Het tijdschrift Op Steiger verscheen tussen 1961 en 1963, omdat de nieuwe redactie van Forum (leden van de LIGA en de architectengroep Team 10), die in 1959 aantrad, de kunst van de VbMK negeerde. De naam Op Steiger verduidelijkte dat het geen atelierwerk was maar kunst die ter plekke op de bouwsteiger ontstond. Het eerste nummer was geheel gewijd aan de door hen hooggeprezen wijlen professor Campendonk wiens invloed op deze kunstenaars nauwelijks overschat kan worden. De vereniging besloot in 1968 om zichzelf op te heffen. 23

AFBEELDING 3.8 VBMK, DE OPDRACHT, 1956, TENTOONSTELLING IN HET STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM
AFBEELDING 3.9 LIGA NIEUWE BEELDEN TENTOONSTELLING STEDELIJK MUSEUM TE AMSTERDAM DE LIGA NIEUW BEELDEN (1955-1969)
De LIGA Nieuw Beelden bestond uit een kleine groep architecten en vooral veel vrije, beeldende kunstenaars die (net als de VbMK) ook met architecten wilden werken. Het waren de leden van de Nederlandse Experimentele Groep (Cobra), Vrij Beelden en Groep 54 (Creatie) en andere, vooral abstract werkende kunstenaars, die in 1955 in het Stedelijk Museum hun werken toonden op de tentoonstelling LIGA Nieuw Beelden. Ze hadden een manifest opgesteld, ondertekend door de kunstenaars Wim Crouwel (1928), Ger Gerrits (1893-1965), Hans Ittmann (1914-1972), Wim Kersten (1908-1974), Juul Neumann (1919-1997), Harry van Kruiningen (1906-1996), Joseph Ongenae (1921-1993) en Andre Volten (1925-2002), waarbij de architect-beeldhouwer Charles Karsten (1904-1979) als motor fungeerde. 24 De architecten waren ‘moderne architecten’, waarvan velen het Nieuwe Bouwen een warm hart toedroegen: Jaap Bakema (1914-1981), Mart Stam, Ben Merkelbach (1901-1961), Gerrit Rietveld (1888-1964), Hein Salomonson (1910-1994), Dick van Woerkom, Enrico (1925) en Luzia Hartsuyker (1926), Frans van Gool (1922) en Aldo van Eyck (1918-1999). In het begin telde de LIGA 50 leden, maar op haar hoogtepunt was zij met 361 leden, vijfmaal zo groot als de VbMK.
AFBEELDING 3.10 COVER VAN HET BOEK LIGA NIEUW BEELDEN 1955 + 1969, 1969
Met een citaat van Walter Gropius werd de doelstelling ‘de vernieuwde eenheid tussen kunst en leven’ geïllustreerd. Naast het Bauhaus was ook De Stijl van invloed op de theorie en het werk van de kunstenaars. Met tentoonstellingen en discussies tussen stedenbouwers, architecten, beeldhouwers, schilders, ontwerpers, wetenschappelijke en maatschappelijke werkers werd gewerkt aan het verbeteren van de leefomgeving. In hun manifest schreven ze dat ze hadden gesignaleerd, dat onder “de hegemonie van het technische, het mechanische en bij de dictatuur van het getal…” een “gemis aan menselijkheid, een gemis aan schoonheid, aan creativiteit van het hart” was ontstaan. 25 Van belang werd kleur in de architectuur gezien. De experimenten van De Stijl en de ‘ruimtebeeldingen’ met kleur van Bart van der Leck in de Amsterdamse Ketjen-fabriek (arch. Ben Merkelbach) werden hoog gewaardeerd. In 1958 organiseerde het SM de tentoonstelling Kleur met kunstenaars van de LIGA: Armando (1929), Kho Liang Ie (1927-1975), Herman van der Heide (1917), Kees Keus (1905-1987) en Wim Strijbosch (1928-1968). Met Stam hadden ze in stands, experimenten met kleuren aangebracht die de ruimtewerking versterkten en accentueerden of juist verzwakten. Ze streefden naar het scheppen van ‘ruimtebeeldingen: een binding tussen het vlak en de omringende ruimte’. 26 De LIGA-tentoonstelling Verbondenheid der Kunsten (1959) in het SM bracht de discussie over integratie- of synthese-idealen nog eens onder de aandacht. De theoretische en kritische discussie werd in Forum (1959) breed uitgemeten met als voorbeelden Van der Lecks ‘ruimtebeelding’ in de Rijksluchtvaartschool in Eelde en het muurreliëf van Henry Moore (1898-1986) aan het Rotterdamse Bouwcentrum.
AFBEELDING 3.11 LIGA NIEUW BEELDEN (KHO LIANG IE, ARMANDO, STRIJBOSCH), MAQUETTES MET KLEUREN VOOR WERKING VAN KLEUR 1958 TENTOONSTELLING KLEUR STEDELIJK MUSEUM, AMSTERDAM
In 1962 verschoof het doel van de wereld verbeteren met aandacht voor het gebouw naar die voor de stedelijke ruimte, te zien in een gelijknamige tentoonstelling in het SM. In 1969 ontbond de LIGA zich.
AANVERWANTE VRIJE, BEELDENDE KUNSTENAARSVERENIGINGEN
NEDERLANDSE KRING VAN BEELDHOUWERS (1918)
De VbMK onderhield banden met de Nederlandse Kring van Beeldhouwers (NKB). Dat was de grootste belangenvereniging van beeldhouwers –bouwbeeldhouwers - opgericht in 1918. Naast het bevorderen van onderlinge contacten tussen kunstenaars had de vereniging tot doel belangstelling voor de beeldhouwkunst te wekken. Na de oorlog kregen de beeldhouwers een groot aantal opdrachten voor herdenkingsmonumenten waarbij de NKB een bemiddelende rol speelde. De vooroorlogse hoofdrolspelers zoals Han Wezelaar (1901-1984), Gerrit Bolhuis (1907-1975), Fred Carasso en anderen. kwamen het meest in aanmerking voor deze opdrachten. De stijl was hoofdzakelijk figuratief en academisch. De NKB hield in 1941 een eerste tentoonstelling in het Stedelijk Museum met werk van beroemde bouwbeeldhouwers als Joseph Mendes da Costa (1863-1939), Lambertus Zijl (1866-1947), Hildo Krop (1884-1970), John Rädecker (1885-1956), Toon Raedecker (1887-1956) en Johan Polet (1894-1971). Met name doelende op zijn studenten als Gerrit Bolhuis, Pieter d’Hont en Johan Limpers (1915-1944), opende Bronner de tentoonstelling met de beroemde woorden: ‘Er groeit een beeldhouwkunst in Nederland’. 27
REALISTEN (1948-1953)
AFBEELDING 3.12 DE REALISTEN, GROEPSPORTRET
De sectie wandschilders van de GKf (na 1952 de VbMK) bestond voor een groot deel uit leden die voor hun vrije werk aangesloten waren bij de Realisten. Het initiatief kwam van Hans van Norden (1915), Theo Kurpershoek (1914-1998) en Nicolaas Wijnberg (1918-2006). Het realisme stond voor een hedendaagse figuratieve kunst en refereerde aan Gustave Courbets kunst als ‘een op de zichtbare, dagelijkse werkelijkheid gebaseerde kunst’. 28 Het ‘realisme’ vertoonde bij veel kunstenaars een figuratie met een vooroorlogse Duits- expressionistische invloed. De oprichting was ook bedoeld om tegenwicht te bieden aan de door Sandberg gestimuleerde kunstenaarsverenigingen zoals de Experimentele Groep (later Cobra). Tijdens de bezetting waren de figuratief werkende kunstenaars door Sandberg gestimuleerd om na de oorlog het gezicht van de kunst te bepalen. Maar Sandberg veranderde van mening en liet ze in hun ogen vallen. Naast Charles Roelofsz en Lex Horn bestond deze kunstenaarsvereniging voornamelijk uit oudleerlingen van Campendonk van de monumentale opleiding van de Rijksacademie: Berend Hendriks (1918-1997), Jan Groenestein (1919-1971), Albert Muis (1914-1988) en Jan Peeters (1912). Verder Kees Andrea, Herman Berserik en Herbert Fiedler (1891-1962) (die zij als hun peetvader beschouwden). De Realisten vulde de GKf aan bij tentoonstellingen en behoorden tot de belangrijkste monumentale kunstenaars die zich later in de VbMK verenigden.
VRIJ BEELDEN (1946-1955)
De kunst van Vrij Beelden beoogde een naoorlogse voortzetting van internationale bewegingen met experimentele en abstracte kunst uit het begin van de twintigste eeuw. Aanleiding tot de oprichting van Vrij Beelden waren de in 1946 en in 1947 gehouden tentoonstellingen in het Stedelijk Museum 12 schilders, georganiseerd door de kunstenaar Willy Boers (1905-1978). Het manifest, dat in 1947 ondertekend werd door de schilders en de beeldhouwers met als eerste zijn broer Frans Boers (1904-1988), Peter Alma (1886-1969), Anton Jan Cozijnsen (1917-1969), Frieda Hunziker (1908-1966), Wim Kersten, Piet Ouborg (1893-1956), Wim Sinemus (1903-1987), Friedrich Vordemberge-Gildewart (1899-1962), André van der Vossen (1893-1963) en Harry van Kruiningen was gematigd maatschappijkritisch en begon met: “De geschiedenis van de mensheid is als een grootse tragedie, somber en aangrijpend”. 29 De kunstenaars hadden volgens het manifest een grote vrijheid nodig om hieraan te ontsnappen en om gevoelens van hoop en verlangen te uiten. In tegenstelling tot De Realisten kreeg Vrij Beelden wel tentoonstellingen in het Stedelijk Museum. Van 1947 tot 1955 vonden in het SM en in Fodor negen tentoonstellingen plaats, waarbij ook de werken werden getoond van de Rotterdammers Piet van Stuivenberg (1901-1988), Koos van Vlijmen (1909-1989) en Wout van Heusden (1896-1982) en van de Hagenaar Herman Berserik. Andere bekende leden waren Dick Hubers (1913-2003), Ben Guntenaar (1922), Willem Hussem (1900-1974), Jaap Mooy (1915-1987) en Juul Neumann en Antoon Rooskens (1906-1976).

AFBEELDING 3.13 GER GERRITS EN WILLY BOERS (VRIJ BEELDEN) FRIES, 1950 DON BOSCO RK AMBACHTSSCHOOL, AMSTERDAM (SCHILDERING IS VERPLAATST NA SLOOP VAN HET GEBOUW.
Een van de bekendste monumentale kunstenaars was Alma. (Hij beschilderde al in 1932 de drie wanden van de hal van de voormalige Tweede Openbare Handelsschool met impressies van het ‘Handelsverkeer’ in de Amsterdamse P.L. Takstraat.) De twee abstract beschilderde friezen die Willy Boers met Ger Gerrits (1893-1965) en Antoon Rooskens met Eugene Brands (1913-2002) maakten voor de rooms-katholieke Nijverheidsschool Don Bosco aan de Amsterdamse Polderweg werden gepubliceerd in Forum (1950). Ook Frieda Hunziker maakte een aantal abstracte wandschilderingen in Amsterdamse gemeentescholen (Marius Bauerstraat 2 en Aalbersestraat 35), evenals Willem Hussem (1900-1974) dat deed in de Haagse Zuiderpark-HBS.
CREATIE (1950-1953 EN NA 1954, GROEP 54)
AFBEELDING 3.14 CREATIE, GROEPSPORTRET UIT 1953
Willy Boers en Ger Gerrits besloten in 1950 uit Vrij Beelden te treden en Creatie, een vereniging voor beoefenaars van nonfiguratieve kunst op te richten. De ideologie van de groep sloot aan bij die van Vrij Beelden. Aanleiding tot de afscheiding waren hoogoplopende, persoonlijke vetes tussen Boers en Frieda Hunziker en tussen Wim Kersten en Gerrits. 30 Creatie trok ook Antoon Rooskens en ex-Cobralid Eugène Brands aan en verder werd de vereniging aangevuld met Mark Kolthoff (1901-1993), Juul Neumann (1919-1997), Piet van Stuivenberg, André van der Vossen, Kees Keus, Willem Strijbosch, Hans Ittmann, Simon Erb (1921), Jan Stellaart (1920-1992) en Andor Weininger (1899-1986). Veel van deze kunstenaars, vooral Neumann (Meerboei in Watergraafsmeer), Ittmann (Amsterdamse Wibauthuis) werkten ook monumentaal. In 1954 ontstond uit Creatie Groep 54, die een jaar later overging in LIGA Nieuw Beelden.
EXPERIMENTELE GROEP / COBRA (1948-1951)
De derde belangrijke kunstenaarsvereniging die zich in 1955 aansloot bij de LIGA Nieuw Beelden was de Experimentele Groep, het Nederlandse onderdeel van de internationale Cobra. In 1948 was Cobra in Amsterdam opgericht. De naam was ontstaan uit een samenstelling van de eerste letters van de hoofdsteden van de deelnemende landen: Kopenhagen, Brussel en
AFBEELDING 3.15 DE EXPERIMENTELEN EN COBRA VOOR HET STEDELIJK MUSEUM IN AMSTERDAM, 1949
Amsterdam. De Experimentele Groep was geformeerd uit Karel Appel, Constant (1920-2005) en Jan Nieuwenhuijs (1922-1986), Corneille (van Beverlo, 1922), Eugène Brands, Theo Wolvecamp (1925-1992), Lucebert (Lubertus Swaanswijk 1924-1994), Jan Elburg (1919-1992), Gerrit Kouwenaar (1923) en weer Antoon Rooskens. De leden lieten zich inspireren door Afrikaanse kunst en door kindertekeningen, want zowel een primitieve cultuur als het kind kent geen andere wet dan zijn spontane levensgevoel. Het doel was kunst te scheppen buiten de traditie om en zonder controle van het verstand. De mens moest zich laten leiden door spontaniteit en door experimenten. De kunstenaars creëerden ook assemblages van stukjes geschilderd sloophout. Ze werkten met symbolen voor vruchtbaarheid, leven en dood, terwijl de
AFBEELDING 3.16 ALDO VAN EYCK EN TONY APPEL TENTOONSTELLING, 1949, STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM
opgerolde cobraslang voor het hemelsymbool stond. De verwachting was dat er een volkskunst zou ontstaan als reactie op de kunst van de ‘kapitalistische klassenmaatschappij’. Vooral Constant leverde maatschappijkritische teksten, afgeleid van marxistische theorieën, waarbij kunst en leven als één geheel werden opgevat. Cobra veroorzaakte vooral opschudding met provocerende tentoonstellingen in het Stedelijk Museum, waarbij de architect Aldo van Eyck zijn bijdrage leverde aan zijn geestverwanten door de tentoonstellingen in te richten. De Belgische dichter Christian Dotremont (1920-1979) opende in 1949 de Cobra-tentoonstelling met een Franse toespraak waarin de woorden ‘Sovietique’ en ‘communisme’ vielen. Daarop ontstonden in het museum en daarna op straat scheldpartijen en zelfs ware vechtpartijen, terwijl Dotremont onverstoorbaar doorlas. (Strauven F., Aldo van Eyck, relativiteit en verbeelding, Amsterdam 1994, p. 129-131) Sandberg was al vroeg onder de indruk van de groep. Werken van Appel, Constant en Corneille waren al in 1946 te zien op tentoonstellingen: Jonge schilders en in 1948 in Amsterdamse schilders van nu. Het tijdschrift Reflex dat ze in 1948 opgericht hadden, verscheen zesmaal. 31
MONUMENTALE KUNSTENAARS ELDERS IN NEDERLAND
De bovengenoemde kunstenaarsverenigingen, die vooral nationaal of internationaal van belang waren, concentreerden zich hoofdzakelijk in Amsterdam. Maar ook in Rotterdam, in Den Haag en vanzelfsprekend in het katholieke Limburg met de hoofdstad Maastricht waren belangrijke monumentale kunstenaars aanwezig, die zich niet allemaal even duidelijk in verenigingsverband profileerden.
GROEP R (1947-1949), ROTTERDAM

AFBEELDING 3.17 ’T VENSTER, GROEPSFOTO MET ZADKINE, 1953
De Rotterdamse kunstenaars waren op zich niet zo verenigingsgezind als Amsterdam, mogelijk omdat er minder kunstenaars waren dan in Amsterdam. Kunst gold hier als een symbool van luxe in tegenstelling tot het socialistische Amsterdam. Zes Rotterdammers, Louis van Roode, Nico Benschop (1907-2001), Daan den Dikkenboer, Wally Elenbaas, Cor Engelse en Benno Wissing (1923) vormden van 1947 tot 1949 groep r. In hun manifest Geschrift no. 1, schilderkunst en architectuur’ (1947) pleitten ze voor integratie van beeldende kunst in het dagelijkse leven. Ze meenden dat de samenwerking tussen kunst en architectuur het esthetische gevoel van het publiek zou verbeteren en de leefomgeving zou verfraaien. De kunstwerken met geabstraheerde voostellingen zouden een maximale aantrekkingskracht, spanning en zeggingskracht hebben. Daarmee was de beeldende kunst in staat het ideaal van de architect in zijn schepping op een harmonische manier te verduidelijken. De collectivistische idealen moesten in de grote Rotterdamse wederopbouwprojecten gestalte krijgen. In 1947 exposeerden ze in Ons Huis met de gezamenlijke expositie De wand, een groot collectief gemaakt schilderij, dat om die reden vergelijkbaar was met de tentoonstelling Weerbare Democratie in Amsterdam. 32
DEN HAAG
Eén van de bekendste kunstenaars in Den Haag na Jan Toorop (1858-1928), Johan Thorn Prikker en Van Konijnenburg was Paul Citroen (1896-1983). Zijn Bauhaus-verleden kwam tot uiting toen hij in 1935 les gaf aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Ook in Amsterdam in de door hem opgerichte Nieuwe Kunstschool (NK), die van 1933-1943 bestond, was deze invloed van groot belang. Haagse monumentale kunstenaars Wim Sinemus, Willem Hussem, Piet Ouborg, Will Leewens (1923-1986) en Jan Roëde (1914) waren leden van Vrij Beelden. Daarbij waren Toon Kelder (1894-1974) en de vooral figuratief schilderende Co Westerik (1924) van belang, leden van de kunstenaarsvereniging Verve en (na 1960) Fugare. Van groot belang voor de monumentale kunst was de Haagse kunstenaar Chris de Moor (1899-1981), lid van de VbMK. Als adviseur bij de PTT, in Den Haag gevestigd, heeft hij veel kunstenaars opdrachten gegeven en grote projecten kunnen realiseren.
ALGEMEEN KATHOLIEK KUNSTENAARS VERENIGING OF VERBOND (1920), LIMBURG
De Limburgse sectie van de Algemeen Katholiek Kunstenaars Vereniging (AKKV) bestond uit ca. 100 leden. Het was een brede, landelijke vereniging met een katholieke signatuur, van allerlei typen kunstenaars waaronder ook monumentaal werkende kunstenaars en architecten van de Katholieke Vereniging van Architecten. De grootste groep katholieken kwam uit Zuid-Nederland en uit het Utrechtse bisdom. De vereniging AKKV bestond van 1920 tot 1961 en werd daarna een verbond. In 1963 telde het verbond nog 850 leden, maar binnen het proces van ontkerkelijking in de jaren zestig en zeventig nam het ledental af. Het doel van het AKKV was om een platform te vormen voor kunstenaars met aandacht voor religie en spiritualiteit als bron en inspiratie. Als vanzelf waren zij gericht op de katholieke kerkenbouw. De AKKV-leden zaten in het bestuur van het Rooms-katholieke Bouwblad (1929), met zowel aandacht voor het werk van architecten als van kunstenaars. In 1947 werd het omgedoopt in Katholiek Bouwblad, met als secretaris de katholieke monumentale kunstenaar Jan Dijker (1913-1993). Andere bekende leden waren Lambert Simon (1909-1987), Geurt Brinkgreve (1917-2005), Jan Grégoire (1887-1960) en Paul Grégoire. Naar aanleiding van de tentoonstelling Pro Arte Christiani in het Stedelijk Museum en de expositie in Heerlen De Versiering des Levens kregen de ‘moderne kunstwerken’ kritiek van het Limburgse bisdomblad Credo. De bisschop, Mgr. Hanssen noemde de moderne, vrije kunst een bedreiging voor de katholieke eenheid omdat zij was afgedaald van het hemelse naar het aardse. De kerkelijke kunst moest de mensen tot ware vroomheid opvoeden en het godshuis verfraaien. 33
MAASTRICHT
AFBEELDING 3.18 JOEP NICOLAS EN CHARLES EYCK, MAASTRICHT
Tot het oprichten van één overkoepelende Limburgse monumentale kunstenaarsvereniging kwam het niet. De kunstenaars waren of verenigd in een landelijke overkoepelende organisatie waarvan de monumentale kunst ook deel uitmaakte of het waren kleine organisaties als de Roermondse bisschoppelijke Werkgemeenschap beeldende kunstenaars met Henri Schoonbrood (1898-1972), Huub Levigne en Max Weiss (1920-1974) in het bestuur. Daarnaast was er een regionale afdeling van het Centraal Orgaan voor het Scheppend Ambacht (COSA), Scheppend Ambacht Limburg, waarvan de ontwikkelingen te volgen waren in het tijdschrift Ambacht, na 1954 Scheppend Ambacht. Het COSA kwam overeen met GKf, omdat ook zij naast de monumentale kunst een afdeling hadden voor kunstnijverheid en industriële vormgeving. De meeste leden-kunstenaars hadden hun opleiding gevolgd aan de Maastrichtse kunstnijverheidsschool en na 1948 aan de katholieke Jan van Eyckacademie. In 1955 schreef Joseph Viegen Balans der moderne Limburgse wand- en glasschilder-kunst, waarin een schets van de vroegste Limburgse monumentale periode gegeven werd. De generatie van Henri Jonas (1878-1944), Charles Eyck, Joep Nicolas (1879-1972), Schoonbrood, Levigne, Paul Kromjong (1903-1979) en de beeldhouwer Charles Vos waren voor WO II nog opgeleid op de Rijksacademie in Amsterdam bij Richard Roland Holst maar onderscheidden zich van de Amsterdammers door een eigen, meer schilderachtige stijl. De kunstenaars stonden landelijk hoog aangeschreven. Voor de voorgevel van het Nederlands paviljoen op de Brusselse Wereldtentoonstelling in 1935 maakte Eyck een wandschildering van 150 vierkante meter, terwijl Nicolas de binnenwand van 14 bij 5 meter voorzag van een ‘vermurail glaswand’ (een door hem uitgevonden techniek van niet-transparant, gebrandschilderd opaline-glas). Ook zijn opdrachten in New York, waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef, zijn van monumentale afmetingen. 34
|