|
Niet alleen de Rijksgebouwendienst beijverde zich met zijn percentageopdrachten voor het kunstopdrachtenbeleid, maar ook verschillende adviesbureaus en de Dienst Esthetische Vormgeving (DEV) van de PTT waren zeer actief en invloedrijk. Eén van de beweegredenen was een goedbedoeld beschavingsoffensief. Het ‘bevoogdende’ gedrag van de ‘elite en culturele elite’ was na de oorlog zo mogelijk nog sterker aanwezig dan daarvoor, omdat ze overtuigd waren dat de oorlog de samenleving sterk ontwricht had en een mooie, verzorgde omgeving zou bijdragen aan de beschaving en het welzijn van de mensen. De Stichting Goed Wonen en de Stichting Mens en Huis organiseerden tentoonstellingen en modelwoningen met ‘fout’ en ‘goed’ ingerichte interieurs, alles begeleid met stichtelijke vermaningen. Dat was geheel in de traditie die in 1900 al leidde tot Kunst voor Allen en Kunst aan het Volk (1903) die door middel van lezingen smaakverbetering bij de arbeidersklasse beoogden. Op de in het SM gehouden tentoonstellingen werden functionele en hygiënische meubelen als ideale, ‘menswaardige producten’ gepresenteerd, terwijl versierde kasten, radio’s met gouden biezen en lampenkappen als, ‘zielige, het leven vijandige producten’ getypeerd werden. 73 Kunst en Gezin (1951) later de Nederlandse Kunststichting, vulde de vraag in voor kunstadvies aan de kleinere huishoudens. Na de oorlog (1947) diende het Centraal Adviesbureau voor Gebonden Kunsten en Industriële Vormgeving, 74 kortweg Bureau voor Aesthetische Adviezen genaamd, om opdrachtgevers en architecten te adviseren over monumentaal werkende kunstenaars: “bemiddeling en adviezen ter zake van kunstproducten en de meeste geschikte persoon te vinden voor het ontwerpen van vooral industriële vormgeving”. . Naast Mart Stam, als directeur van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (IVKNO), later de Rietveld Academie en Willem Sandberg, als directeur van het Stedelijk Museum (1945-1962) hadden er meer ‘nette mensen’ in plaatsgenomen, zoals architect en criticus J.P. Mieras ze betitelde. 75
De gemeente Amsterdam had in 1949 een kunstadviescommissie in het leven geroepen, die samengesteld was uit ‘zwaargewichten’, zoals de directeur van het Rijksmuseum jhr. David Röell (1894-1961), de architecten Ben Merkelbach en Jan Leupen (1901-1985, PW), en de kunstenaars Heinrich Campendonk, als professor monumentale kunst aan de Rijksacademie, Johan Voskuil, als secretaris van de Nederlandse Federatie van Kunstenaars en de Federatie-voorzitter Sandberg. De commissie werd direct op de proef gesteld, omdat zij niet kon verhinderen dat de expressionistische wandschildering van Karel Appel, in 1949 in hun opdracht voor de koffiekamer van het Amsterdamse raadhuis gemaakt, na protesten van het personeel direct weer verwijderd werd.

AFBEELDING 3.36 KAREL APPEL, VRAGENDE KINDEREN, 1949, WANDSCHILDERING IN DE KOFFIEKAMER VAN HET STADHUIS VAN AMSTERDAM
In 1950 werd op initiatief van het bedrijfsleven Kunst en Bedrijf opgericht als landelijk functionerend bemiddelingsorgaan. Het draaide jarenlang zeer succesvol met behulp van bijdragen uit het bedrijfsleven en rijkssubsidie. Louis Kalff (1897-1976), General Art Director van Philips en C.J. Gischler waren de sturende krachten en oprichters en de schilder Adriaan Lubbers (1892-1954) werd directeur. Een jaar na de oprichting waren ook de kunsthistorici Edy de Wilde (1919-2005, museumdirecteur in Eindhoven), Bram Hammacher (museumdirecteur in Otterlo) de architect Willem Dudok (1884-1974), en de beeldhouwer Mari Andriessen (1897-1979) toegetreden. Naast losse kunstwerken adviseerde het bureau bedrijven en industrieën bij de opdrachten van monumentale kunstwerken zoals reliëfs, sgraffito’s, wandschilderingen, mozaïeken, gebrandschilderde ramen en gezandstraald glas. Met behulp van een kaartenbak met foto’s en dia’s konden de opdrachtgevers hun keuze maken uit kunstenaars. Veel kunstenaars, die van de bemiddeling van Kunst en Bedrijf gebruik maakten, waren ook aangesloten bij de VbMK.
AFBEELDING 3.37 DICK ZWIER, TECHNISCHE HOGESCHOOL CONCORDIA
In de maandbladen van de Stichting Kunst en Bedrijf staan foto’s van pas gerealiseerde kunstwerken, zoals een baksteenmozaïek van Hans Bayens (1924-2003) voor een Hoornse school in de uitgave van juni 1959 en een wandschildering van Dick Zwier voor de Amsterdamse Technische School Concordia, die beide ook in Teken aan de Wand (1963) staan. Bayens was een veelzijdig kunstenaar; in 1952 ontwierp hij een wandkleed voor de Rubberfabriek Vredestein, aangeboden als een relatiegeschenk aan de Limburgse Staatsmijnen. Louis van Roode kreeg de opdracht in 1954 om een groot figuratief wandmozaïek voor de kopse kant van het Holbeinhuis in Rotterdam te realiseren. Eind jaren vijftig werden er in het maandblad pleidooien voor abstracte kunst gehouden. Shell-plastics in Delft liet door de beeldhouwer Andre Volten een abstract spinvormig muurplastiek voor de gevel maken. 76
AFBEELDING 3.38 LOUIS VAN ROODE, HOLBEINHUIS, 1954, ERASMUSHUIS TE ROTTERDAM
Vier jaar na de oprichting vermeldde de stichting dat hun omzet al f 746.600 bedroeg voor maar liefst 542 kunstenaars en acht jaar later was het geheel verdubbeld tot f 1.443.102 (na aftrek van materiaalkosten f 983.353,-) voor 1120 kunstenaars. Alleen al in 1958 profiteerden 148 kunstenaars van wie er 61 monumentaal werkten. Het archief van Kunst en Bedrijf, dat een schat aan informatie bevat, is nu (2006) nog niet ontsloten en is ondergebracht bij het Rijksbureau Kunsthistorische Documentatie (RKD). Tom Haartsen, die eind jaren vijftig adjunct-directeur en adviseur werd, schreef in 2002 De Wand des Tijds. Monumentale kunst rond de jaren 50, met daarin talrijke, mooie voorbeelden van opdrachten van het rijk, de gemeenten en het bedrijfsleven, maar ook van de kerkelijke overheden. Eerder waren er enkele kleinere publicaties door Kunst en Bedrijf uitgegeven, zoals Technieken in de Beeldende Kunst (1971), die bij de uitleg over de verschillende kunstvormen foto’s van kunstwerken publiceerde. 77
|