|
INLEIDING
AFBEELDING 3.39 MIEN VISSER-DÜKER, ABSTRACTE GLASRAMEN, 1926, BIJENKORF DEN HAAG.
Bij de gedachte aan ‘gebouwen met veel kunst’ zullen waarschijnlijk kerken en kathedralen als eerste in onze verbeelding verschijnen. Vanzelfsprekend diende de kunst daar om de religieuze boodschap over te brengen. Ook andere statusgebonden gebouwen zoals paleizen, villa’s van de adel, stadhuizen en theaters werden traditiegetrouw van (nagelvaste) kunst voorzien. Alle kunstwerken zowel profaan als religieus werden geplaatst om de status, de functie en de rijkdom van de bewoners of de gemeenschap aan de beschouwers duidelijk te maken. In de regel fungeren deze gebouwen als gemeenschapsruimten, waarin de samenleving zichzelf projecteert en de gemeenschappelijkheid tot uitdrukking brengt, door middel van het architectonische karakter en door de kunsttoepassingen.
AFBEELDING 3.40 HENDRIK VAN DEN EIJNDE, K. P. C. DE BAZEL (ARCHITECT), COEN, DAELDELS EN VAN HUETSZ, 1925, GRANIET, NEDERLANDSE HANDELMAATSCHAPPIJ AMSTERDAM.
Sinds het midden van de negentiende eeuw kwamen er steeds meer nieuwe gebouwtypen bij als gevolg van de groeiende welvaart door de industrialisatie en de opkomst van de burgerij samen met de democratisering. Gebouwen van het bedrijfsleven zoals warenhuizen, banken, verzekeringsmaatschappijen etc. en gebouwen van openbare diensten als de posterijen en de spoorwegen namen, om die gemeenschappelijkheid en hun status uit te drukken, uitmonstering van kunsten van stadhuizen over. De Haagse Bijenkorf (Piet Kramer) werd in 1926 bij de opening betiteld als ‘het Paleis der Levensvreugde’ omdat het één groot kunstwerk was, niet alleen door de gevelbeelden van Hildo Krop,John Rädecker en Janus Remiëns (1890-1972) aan het exterieur, maar zeker ook door de kleurige glasramen van Joop Linse (1875-1930), Willem Bogtman (1882-1955), Jaap Gidding (1887-1955), Pieter Hofman (1885-1965), Henri van der Stok (1870-1946), Leo Visser (1880-1950) en Mien Visser-Düker (1881-1961). 78 De belangrijkste van deze nieuwe bouwwerken werden opgesierd tot pronkstukken van de stad en het land. Tot de meest opzienbarende gebouwen van rond de eeuwwisseling behoren het Rijksmuseum (1885), het Amsterdamse Centraal Station (1889), de Beurs van Berlage (1903), het Scheepvaarthuis (1916), maar ook De Nederlandse Handel-Maatschappij (1924) in Amsterdam en bioscopen als het Tuschinski Theater (1921). In Nederland kennen we een aantal grote opdrachtgevers, waarvan de rijksoverheid en geliëerde organisaties als PTT en de Nederlandse Spoorwegen de grootste spelers zijn. Voor de monumentale kunst en de beoefenende kunstenaars waren dit belangrijke partners, omdat vaak langdurig werd samengewerkt.

AFBEELDING 3.41 PIETER DEN BESTEN, JAAP GIDDING, CHR. BARTELS, TUSCHINSKI THEATER AMSTERDAM
VOOROORLOGS OPDRACHTGEVERSCHAP
PTT
De hoofd- en stationspostkantoren werden sinds het einde van de 19de eeuw ontworpen door de architecten van de Landsgebouwen, (de voorloper van) de Rijksgebouwendienst. Dat was een grote ‘post’, waarin de rijksbouwmeesters Cornelis Peters (1847-1932), Joop Crouwel, J. de Bruin (1902) zich vooral gespecialiseerd hadden. Deze architecten hadden daarbij ook de leiding over de decoratieschema’s. Peters die in 1895 het Amsterdamse hoofdpostkantoor ontwierp, liet Emil Bourgonjon het gebouw decoreren met leeuwtjes en hoofden van diverse volkstypen. Veel postkantoren, zoals de door Marinus Granpré Moliere gebouwde hoofdpostkantoor van Maastricht (1916-1919) werden meestal nog spaarzaam verfraaid met beelden van Joop van Lunteren en Simon Tempelman (1875-1963). Voor het Rotterdamse hoofdpostkantoor (1916) ontwierp Van Lunteren, in opdracht van de rijksbouwmeesters Kees Bremer en Henry Teeuwisse, symbolische voorstellingen die met de PTT te maken hebben. Bremer zat in de Commissie voor Kunsttoepassingen (1938), samen met bevriende beeldhouwers als Hildo Krop en Mari Andriessen. Krop was verantwoordelijk voor de beeldhouwwerken voor ‘zijn’ markante stationspostkantoor van Den Haag (1939). Een ander vroeg voorbeeld van PTT-gebouwen met kunst is het hoofdpostkantoor aan de Neude in Utrecht (1918-1924) van Crouwel. Zes levensgrote beelden van Hendrik van den Eijnde en een glas-in-loodvenster van Rik Roland Holst dragen bij aan het representatieve karakter van het gebouw. Van den Eijnde ontwierp ook beeldhouwwerken voor andere postkantoren van Crouwel zoals voor het Haarlemse (1920) en voor het –verwoeste- Arnhemse postkantoor (1919-1923). 79 In 1938 stelde het hoofdbestuur van de PTT een regeling in om 1,5 tot 2 procent van de bouwkosten te besteden aan kunstopdrachten voor representatieve PTT-gebouwen. 80
AFBEELDING 3.42 JOOP VAN LUNTEREN EN KEES BREMER (ARCHITECT), PTT KANTOOR COOLSINGEL ROTTERDAM, 1916
De Rijksgebouwendienst hield tegen de zin in van de PTT, de beslissingsbevoegdheid voor de kunstenaarskeuze in handen, terwijl ze zelf pas in 1951 een percentageregeling liet invoeren. Mr Jean François van Royen, die van 1904 tot 1942 bij de PTT werkte, fungeerde als de grote motor. Als begaafd grafisch ontwerper bepaalde hij vooral de PTT-ontwerpen voor postzegels, affiches etc. Buiten de PTT bekleedde Van Royen ook nog belangrijke posities in diverse kunstenaarsverenigingen. 81 Hij liet zich adviseren door een van zijn medewerkers die na de oorlog veel voor de monumentale kunst zou betekenen, de bekende kunstcriticus Bram Hammacher. 82 Slechts een enkele kunstopdracht werd tussen 1938 en 1940 verleend. In 1939 kreeg de kunstenaar Leo Gestel de opdracht van rijksarchitect Franz Röntgen om de wand te beschilderen in het Hilversumse postkantoor aan de Kerkbrink. Door het overlijden van de kunstenaar moest Charles Roelofsz het ontwerp uitvoeren. John Rädecker ontving in de eerste oorlogsjaren zijn eerste rijksopdracht voor de PTT, een bronzen beeld en een reliëf voor het PTT-gebouw aan de Haagse Torenstraat van rijksbouwmeester Hayo Hoekstra (1881-1960). 83
RIJKSGEBOUWENDIENST
De in 1923 door het Rijk getroffen bezuinigingsmaatregelen duurden voort tot in de jaren dertig twee nieuwe projecten startten: het stadhuis van Enschede (1933) en de verbouwing van het gebouw van de Hoge Raad in Den Haag(1939). Architect Landsgebouwen Gijsbrecht Friedhoff, die na de oorlog als rijksbouwmeester van groot belang werd voor de percentageregelingen, gaf in Enschede een voorproefje van zijn naoorlogse beleid voor decoratieschema’s en inrichting van representatieve (rijks)gebouwen. Hij koos voor de verfraaiing van zijn stadhuis vooral jonge, veelbelovende kunstenaars uit. Behalve de beeldhouwer Frits van Hall (1899-1945) waren deze kunstenaars, zoals de beeldhouwer Theo van Reijn (1884-1954)), de glazeniers Cor Alons (1892-1967), Adriaan Grootens (1864-1957), Willem Molin (1895-1959) en Jaap Bouhuys (1902-1983) en de weefster Betty
AFBEELDING 3.43 FRITS VAN HALL EN KEES BREMER (ARCHITECT), ULRICUS HUBER, 1938, HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, PLEIN DEN HAAG
Hubers (1907-1991) in de wederopbouwperiode ook verzekerd van diverse rijksopdrachten. 84 Kort daarop (1939) verbouwde adjunctrijksbouwmeester Kees Bremer het (inmiddels gesloopte) gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden op het Plein in Den Haag. Bij de voorname, hoge trappen voor de hoofdingang plaatste hij zes monumentale bordesbeelden van rechtsgeleerden uit voorgaande eeuwen, die gehakt waren door de zes bekendste beeldhouwers: Johan Polet, Mari Andriessen, Frits van Hall, Hildo Krop, Albert Termote (1887-1978) en Oswald Wenckebach (1895-1962). Professor Rick Roland Holst voerde hier zijn allerlaatste monumentale opdracht uit, die hij - als een primeur - in een groene marmerincrustatie realiseerde. 85
SPOORWEGEN
Ook de spoorwegen waren al vroeg opdrachtgever van representatieve gebouwen met diverse kunstvormen. De twee belangrijkste steden, Rotterdam en Amsterdam, bouwden de mooiste stations, die enerzijds internationaal geen slecht figuur moesten slaan en anderzijds nationaal, dus een typisch Hollands karakter moesten uitstralen. De hiërarchie tussen de steden kwam tot uitdrukking in de architectuur waarbij volume, duurzame materialen, detaillering en ornamenten het aanzien bepaalden. Deze representatieve gebouwen, die niet alleen als een visitekaartje, de aanzienlijkheid van de stad en de spoorwegmaatschappij dienden te representeren, werden vanaf het eind negentiende eeuw ook gezien als een uitgelezen plaats voor kunst dat dit bijzondere imago zou moeten bevestigen.
Cuypers heeft met de bouw van het Centraal Station (CS 1889) van Amsterdam de toon gezet voor een uitgebreid decoratieprogramma. In eerste instantie was het niet als zodanig begroot en werd het door de regering, het stadsbestuur en de directie van de spoorwegmaatschappij niet als noodzakelijk gezien. Hij wist hiervoor zich uiteindelijk verzekerd van de steun van Victor de Stuers, de belangrijke kunstreferendaris op het Ministerie van Binnenlandse Zaken. 86 Het CS kreeg de stijl van Nederlandse renaissance en Cuypers liet het imposante gebouw op een rijke bijpassende wijze met reliëfs, beelden en schilderingen verfraaien. Naast het ‘gevleugeld wiel’ (snel en zeker), personificaties voor het vertrek en de aankomst (de traditionele iconografieën van de spoorwegen), werd het station ook opgesierd met allegorieën voor Amsterdam als handelsstad, die via het spoor verbinding heeft met 14 handelssteden, landbouw, veeteelt, elektriciteit, nijverheid, stroom, technische wetenschappen. Maar ook was er plaats voor medaillons met spoorwegpioniers en antieke iconografie zoals Apollo, Ceres en Vulcanus. De reliëfs werden ontworpen door Eduard Roskam (1854-1919) en door Frans en Frantz Vermeylen.
AFBEELDING 3.44 FRANS CUYPERS EN FRANTZ VERMEYLEN, RELIËF AAN DE GEVEL VAN HET CENTRAAL STATION VAN AMSTERDAM.
Volgens Een spoor van verbeelding. 150 jaar monumentale kunst en decoratie aan Nederlandse stationsgebouwen. (p. 41-45) werd ook uit praktische overwegingen gekozen voor keramische tableaus aan het exterieur omdat ze bestand zijn tegen kou, warmte, vocht, rook en vuil. Daarnaast werd deze ambacht beschouwd als een fraaie en typisch Hollandse vaardigheid waardoor het bij uitstek paste bij de bakstenen stations in de nationale stijl van de Hollandse renaissance. De kunstenaar Adolf le Comte (1850-1921), leraar ornamentleer aan de Polytechnische School in Delft en adviseur bij De Porceleyne Fles in Delft was van groot belang in deze kunsttak. Voor het station Delft (1883, arch. Christiaan Posthumus Meyes sr (1859-1922) schilderde hij de Delftse stedenmaagd op keramisch tableau (nu gesloopt). Ook werden door de stationsarchitecten bij de kunstenaars die verbonden waren met de Haagse plateelbakkerij Rozenburg en Amsterdamse tegelbakkerij De Distel, keramische tableaus besteld om op een groot aantal stations zoals Den Haag, Den Bosch, Amersfoort, Leeuwarden toe te passen. Zeer bijzonder zijn ook de tegeltableaus op het Groningse station (1893, ontworpen door F.H. Bach) en het tegelschilderij van D.J.P. de Ruiter (1872-1947) in de hal van Haarlem (1905). 87
AFBEELDING 3.45 F.H. BACH, I. GOSSCHALK (ARCHITECT),) DE TELEGRAFIE 1893 TEGELTABLEAU IN STATION GRONINGEN, 1893
Glas-in-loodramen waren mogelijk vanwege de kwetsbaarheid zeldzamer. Voor het station Den Haag Hollands Spoor (HS) ontwierp Le Comte de glas-in-loodvensters waarin het koninklijke wapen, de provinciewapens en wapens van de belangrijkste steden te zien zijn. In het zuidelijke Nederland hadden glas-in-loodramen meestal een katholieke connotatie. Een ander bekend glas-in-loodraam (280cm doorsnee) heeft Heinrich Campendonk in 1939-1940 gemaakt voor het Amsterdamse station Muiderpoort De voorstelling van het met koele, ingetogen kleuren samengestelde ronde raam stelt vliegende vogels voor en vertolkt op deze manier het traditionele spoorwegthema: het vertrek. De loodstrippen volgen de contouren van de vogels.
H.G.J. Schelling (1888-1978), in dienst van het architectenbureau van NS (Afdeling Gebouwen) in Utrecht, koos bij de bouw van de meeste van zijn stations voor het in het zicht laten van het beton en liet zich daarbij inspireren door gebouwen uit het antieke Rome die uit beton waren opgetrokken. Zijn stationsgebouwen bestaan meestal uit grote en hoge ruimtes als die van een Romeinse basilica en zijn vaak verfijnd door typisch Romeinse details als claustra’s. Het Amstelstation in Amsterdam (1939) is nog bekleed met natuursteen en baksteen, maar het interieur valt op door de ruime ‘basilicale’ hal met hoge glasramen. De opdracht om de oostelijke en de westelijke muren van de hoge hal met begrijpelijke voorstellingen te beschilderen werd na een prijsvraag aan Peter Alma gegeven, die twee reusachtige, overwegend pastelgekleurde, symmetrische wandschilderingen maakte. Ze moeten de ‘Technische Vooruitgang van de Spoorwegen’ verbeelden. Alma liet aan de westelijke zijde de oude en de nieuwe wereld door het treinnet overbruggen en schilderde een symmetrische, V-vormige compositie met aan de linkerkant een piramide, een tempel en een moskee en aan de andere kant de Eiffeltoren en wolkenkrabbers. De verstaanbaarheid stond voorop bij Schelling omdat het station geen geschikte plaats is voor ‘een lange, zich verdiepende kunstbeschouwing’. 88

AFBEELDING 3.46 PETER ALMA, H. G. J. SCHELLING (ARCHITECT), TECHNISCHE VOORUITGANG VAN DE SPOORWEGEN, 1939, STATION AMSTERDAM AMSTEL, WANDSCHILDERING.
MONUMENTALE KUNSTOPDRACHTEN IN DE NAOORLOGSE PERIODE
AFBEELDING 3.47 NEL KLAASSEN, INCASSOBANK- AMSTERDAMSE BANK NV
In de wederopbouwperiode werd de traditie om gebouwen met kunst te verfraaien langzaamaan weer voortgezet. De Nederlandse Handel-Maatschappij N.V. in Rotterdam van A.A van Nieuwenhuyzen en Cornelis Elffers (1898-1987) leverde in de vroege jaren vijftig één van de eerste bijdragen. Het beroemde vooroorlogse Amsterdamse filiaal aan de Vijzelstraat van Karel de Bazel (1869-1923) met ramen van de Antoon Derkinderen, beelden van Hendrik van den Eijnde en Joseph Mendes da Costa had de toon gezet waar naderhand de Handel-Maatschappij (1950) in Rotterdam niet voor onder kon doen. De belangrijkste kunstopdrachten werden gegeven aan de gouden medaillewinnares van de Eerste Prix de Rome voor Monumentale en Versierende Beeldhouwkunst, Nel Klaassen (1906-1989). Deze leerlinge van Bronner ontwierp het embleem bij de hoofdingang en twee beeldengroepen van zeemeerminnen en een reliëf rond de klok dat de ‘De Zegewagen’ voorstelt. Als veelzijdig kunstenaar ontwierp ze ook het wandkleed met een allegorische voorstelling van de personificaties van de vier jaargetijden in de vergaderzaal. De beelden bij de diverse ingangen, de Sleutelbewaarder en de Gelddrager zijn van Hans Petri (1919-1969) en Hank Hans (1919). 89
AFBEELDING 3.48 COR VAN KRALINGEN EN J. A.G. VAN DER STEUR (ARCHITECT), TWENTSE ROS, TWENTSCHE BANK ROTTERDAM, BLAAK, 1948
Ook banken zoals Nationale Verzekeringbank NV (Rotterdam, Schiekade, 1951), Rotterdamsche Bankvereeniging (Rotterdam, Coolsingel, 1948) en de Incassobank-Amsterdamsche Bank NV (Rotterdam, Blaak, 1950) gingen al vroeg van start met de herbouw en bouw van rijk gedecoreerde gebouwen. De traditionele iconografie verbeeldt meestal een lofzang op het bankierswezen met het accent op de handel en een goed beheer van het kapitaal maar vooral ook een optimistische kijk op de toekomstige welvaart van een werklustige bevolking. 90
Op de Twentsche Bank (Rotterdam, Blaak, 1948) van architect A. van der Steur werd een groot, ‘stoer en sterk’ beeld geplaatst van het Twentse Ros, gemaakt door de Rotterdammer Cor van Kralingen (1908-1977). Deze bank werd verfraaid met de symbolische houtreliëfs van Hank Hans, de wandschildering van F.G. Jacobs en de ramen van de Rotterdamse glazeniers Hendrik van Kesteren (1902-1986) en Evert Warffemius. De ramen in de effectenhal zijn ontworpen door Agnes Canta (1888-1964). 91
RIJKSGEBOUWENDIENST EN GEMEENTEN
De Uitbreiding van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) dat in 1952 door Friedhoff werd gebouwd, werd niet alleen door architecten en kunstenaars met aandacht gevolgd vanwege de toepassing van de percentageregeling, maar ook omwille van de kunstenaarskeuze. 92
In 1955 werd het Rijkskantorengebouw (beter bekend als het Ministerie van Landbouw, Visserij en Natuurbeheer) door Friedhoff opgeleverd, met meer dan vijftig kunstwerken van favoriete kunstenaars van Friedhoff: Jaap Bouhuys, zijn partner Nel Klaassen en Cephas Stauthamer (1899-1983). Het gebouw werd de regelrechte opvolger van het Ministerie van OKW. Hoewel de meeste

AFBEELDING 3.49 NEL KLAASSEN EN JAAP BOUHUYS EN GIJSBERT FRIEDHOFF (ARCHITECT), UITBREIDING MINISTERIE VAN ONDERWIJS, KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN, 1952
kunst met traditionele kunstenaarstechnieken gerealiseerd is en figuratief van aard is, ging ook Friedhoff met zijn tijd mee door de toepassing van de jongste technieken, zoals fotografie van Cas Oorthuis en sgraffito’s door Hans Bayens, Paul Kromjong, Willem Molin en Dick Zwier. Jan Groenestein ontwierp in deze techniek een metershoge donkere wand waarin hij in silhouetvormen planten, vissen en vogels uitgesneden had. Maurits Escher (1898-1972) beschilderde het plafond van de kamer van de secretaris-generaal met de voor hem kenmerkende, evoluerende positieve en negatieve vormen. Kunstenaars zoals Theo Kurpershoek (wandschildering), Albert Muis (wandschildering ) en veel VbMK-leden, droegen hun steentje bij: Kees Andrea (mozaïek), Lex Horn (mozaïek), Chris de Moor (wandschildering en glas-in-loodramen), Hans van Norden (wandschildering) en Nicolaas Wijnberg (wandschildering).
Ook in 1955 bouwde architect Jo Vegter met ir. H. Brouwer het befaamde provinciehuis in Arnhem. Het imposante gebouw werd geplaatst op het Marktplein naast de middeleeuwse Sabelpoort en met zicht op de Rijn. De als traditionalistisch bekend staande Vegter werd een ‘shake-hands’-architect, die de typische bouwvormen van het Nieuwe Bouwen (zoals een plat dak en grote raampartijen) in het gebouw verwerkte, maar het betonnen skelet van een traditionele bakstenen gevelbekleding voorzag. Vegter beschreef zijn interieur als een barok gebouw waar donker en licht op elkaar afgestemd waren: “De hal op de begane grond is als een grot: noorderlicht, donkere wanden, donkere vloer, ruw gehouden materialen van gelijkmatige kleur, daarentegen voert de trap van hier ons naar het licht tegemoet”. 93
Kunstcriticus en schrijver Bram Hammacher die inmiddels directeur van het Rijksmuseum Kröller-Muller was geworden, trad op als deskundige op het gebied van moderne kunst en gaf advies over het decoratieprogramma. De meeste kunstwerken zijn giften van diverse organisaties en maatschappijen geweest, omdat het bouwbudget overschreden was. Hammacher koos ook voor de modernste kunstvormen van dat moment, zoals het betonreliëf van Piet Donk (1904) en de sgraffito van Simon Erb. Opvallend genoeg vielen (op een enkeling na) de VbMK-leden, die voornamelijk figuratief werkten, buiten de opdrachten. In het gebouw was de voorliefde van de kunstadviseur voor sculpturen goed zichtbaar. Er werden beelden geplaatst van in totaal vijftien kunstenaars, onder wie enkele abstract werkende beeldhouwers (die in de eerste helft van de jaren vijftig door pers en door publiek nog niet zo gewaardeerd werden), zoals Willem Reijers (1910-1958), Piet van Stuivenberg, Wessel Couzijn en Hans Verhulst (1921). Maar Hammacher koos ook figuratief werkende, gerenommeerde kunstenaars, zoals Hildo Krop die twee losse zuilen met gebeeldhouwde kapitelen voor het bordes maakte en professor Piet Esser die de fontein in het atrium met Hercules en Antaeus ontwierp. De tweede fontein is van Frida Heil-Verver (1892-1983). Andere bekende beeldhouwers
AFBEELDING 3.50 J. GROENESTEIN EN G. FRIEDHOFF, SGRAFFITO IN DE RIJKSKANTORENGEBOUW, MINISTERIE VAN LANDBOUW, VISSERIJ EN NATUURBEHEER, 1955.
waren Titus Leeser (1903-1996), Charlotte barones van Pallandt (1898-1997), Georg Ruijter (1913-1982), John Grosman (1916-1970), Carel Kneulman, Piet Slegers (1923), Eduard baron Speyart van Woerden (1923), Han Wezelaar, Gerda Rueter (1904-1993) en Everdine Schuurman-Henny (1910-1969). Naast de beelden en de reliëfs werd er ook een groot aantal tapijten geweven. Kitty van der Mijll Dekker, Desiré van de Rivière (1920-1987) en haar man Herman Scholten (1932), leverden hun bijdragen, terwijl kunstenaars als Lex Horn en Piet Donk de door hun ontworpen wandtapijten lieten uitvoeren bij Het Paapje. De Belg Michel Seuphor (1901-1999) gaf zijn non-figuratieve ontwerpen voor de uitvoering aan het atelier Van de Rivière en Scholten.
AFBEELDING 3.51 HILDO KROP EN WIM REYERS, JO VEGTER EN IR. H. BROUWER (ARCHITECTEN), PROVINCIEHUIS IN ARNHEM, 1955
Hammacher nam voor het meest in het oog springende kunstwerk een risico. Hij vroeg namelijk de graficus Wally Elenbaas, die nog maar zeer weinig monumentale ervaring had, voor de twee prominente wanden van de ontvangsthal. Elenbaas volbracht zijn debuut met succes. Hij ontwierp wandvullende mozaïeken met aan de ene kant geabstraheerde mensfiguren en een tempelachtig bouwsel, voorstellende de dienstbaarheid van de overheid aan de burgers en de andere kant ‘Het herstel van de orde in het leven, in de stad en in de natuur’. De mozaïeken in warme aardkleuren zijn samengesteld uit brokjes natuursteen.
De jaren vijftig en zestig bleken -ondanks de financiële beperkingen- in een aantal gevallen verbazend rijke tijden in het monumentale kunstbeleid voor representatieve gebouwen. Ook Amsterdam bleef actief. Naast de percentage-regeling van het rijk, bleef deze gemeente steeds een extra percentage van de bouwsom besteden aan kunst, en niet alleen maar voor representatieve gebouwen. Bij de realisatie van de Westelijke Tuinsteden en Buitenveldert werd een groot aantal scholen gebouwd. Het Spinozalyceum van de gemeentearchitect Jan Leupen kreeg in de hal een metershoge grisaille
AFBEELDING 3.52 WALLY ELENBAAS, MOZAIEK IN HET PROVINCIEHUIS TE ARNHEM, 1955.
wandschildering van Albert Muis. Het is een poëtische schildering van een jongen die in de bron der kennis kijkt. Bij de ingangen zijn twee kleurige mozaïeken van Nicolaas Wijnberg geplaatst, één met een mythologische voorstelling en de ander met een twintigste-eeuws onderwerp. Naast de middelbare scholen werden ook lagere scholen standaard van een (kleiner) kunstwerk voorzien! Frieda Hunziker, lid van de LIGA Nieuw Beelden, schilderde in een lagere school in Aalbersestraat in Amsterdam een grote abstracte muurschildering. Hiervoor werden meestal VbMK-kunstenaars benaderd. Een van de opvallendste schoolgebouwen is de technische school van de Christelijke Stichting Patrimonium Nijverheidsscholen aan de Vrolikstraat in Amsterdam, gebouwd door de jonge architect Ben Ingwersen, een compagnon van het architectenbureau van Commer de Geus. Ingwersen ontwierp in opdracht van de Christelijke Stichting Patrimonium Nijverheids
AFBEELDING 3.53 LEX HORN, ARNO NICOLAÏ (ARCHITECT), BETONRELIËF UTS, AMSTERDAM.
scholen een betonnen gebouw op pilotis dat veel weg heeft van Le Corbusiers woongebouw in Marseille. Harry op de Laak ontwierp betonreliëfs met technische onderwerpen in het hele trappenhuis, op de verdiepingen en de eetzaal op de bovenste verdieping. 94 Arno Nicolai bouwde in samenwerking met Publieke Werken de Uitgebreide Technische School aan de Krelis Louwenstraat 1 in Amsterdam. Lex Horn voerde hier twee opdrachten uit. Een grote schildering op de bakstenen muur van het trappenhuis waarbij de structuur van het baksteen zichtbaar is gebleven en de compositie mee bepaald. Voor de voorgevel ontwierp hij een groot betonreliëf van geabstraheerde mensfiguren die net als de figuren van Fernand Leger als robots uit bouwelementen zijn opgebouwd.
AFBEELDING 3.54 HARRY OP DE LAAK, COMMER DE GEUS INGWERSEN (ARCHITECT), BETONRELIËF 1956, PATRIMOIUM, VROLIKSTRAAT TE AMSTERDAM.
In Amsterdam werd ook in 1956 het nieuwe feestgebouw, de Jan van Galenhal van architecten van de Dienst Publieke Werken geopend. Hans Bayens beschilderde de hal en de foyer, terwijl Hans van Norden een wandschildering in het restaurant maakte. Lex Horn maakte in de feestzaal een geabstraheerde voorstelling in sgraffito, terwijl Stauthamers reliëf bij de ingang zeer figuratief is.
PTT
Na de oorlog werd in de geest van Van Royen door de PTT de Dienst Esthetische Vormgeving (DEV) opgericht, die gaandeweg zeggenschap kreeg in de monumentale kunstopdrachten. Tussen 1955 en 1965 vonden er volgens het boek Kunstopdrachten van de Rijksgebouwendienst na 1945 slechts negen monumentale kunstopdrachten voor PTT-gebouwen plaats, waarvan er drie voor het Eindhovense stationspostkantoor, een ontwerp van rijksbouwmeester Gysbrecht Friedhoff met zijn assistent Mart Bolten (1916), bestemd waren. Theo van Amstel (1927) maakte een grote wandschildering in het interieur en Wally Elenbaas ontwierp het baksteenmozaiek, terwijl Van Trigt de bronzen letters voor zijn rekening nam. 95
Vooral de stationspostkantoren werden rijkelijk bedeeld met kunst. Het Rotterdamse stationspostkantoor (1954-1959) werd indertijd het paradepaardje van de PTT. Friedhoff gaf de opdracht hiervoor aan een extern architectenbureau Evert (1899-1987) en Herman Kraaijvanger (1903-1981). De architecten, kwamen met het voorstel om de Rotterdammer Louis van Roode te vragen voor een kunstwerk op de kopse kant van het gebouw. Meer dan 1,5 procent van de f 18 mln werd besteed aan kunst die verder intern op alle verdiepingen aangebracht werd. Uit het jubileumboek van de PTT, 30 jaar kunstopdrachten voor 12 expeditieknooppunten van ptt post, blijkt dat vijftien kunstenaars wel 33 monumentale kunstwerken gemaakt hebben. Verantwoordelijk voor de keuze van de andere kunstenaars was, volgens het jubileumboek, de esthetische adviseur van de DEV, Christaan de Moor (1899-1981). De Moor, zelf lid van de VbMK, koos van de vijftien kunstenaars vier verenigingsleden: Wally Elenbaas, Nico Wijnberg, Hans van Norden en Kees Timmer. Het gebouw bezit een rijk scala van abstracte en figuratieve kunstwerken, zoals mozaïeken, sgraffito’s, keramische reliëfs, betonreliëfs, metaalplastieken enz. De kunsttoepassingen in het dertien-verdiepingenhoge gebouw zijn zo nadrukkelijk aanwezig, dat een vergelijking met vooroorlogse kunsttoepassingen in PTT-gebouwen daarbij in het niet valt.
AFBEELDING 3.55 PETER STRUYCKEN EN PIET ELLING (ARCHITECT), GYMZAAL VAN HET EXPEDITIEKNOOPPUNT PTT AMSTERDAM.
Als tegenpool van Rotterdam bleef Amsterdam niet achter. De kunsttoepassingen in het stationspostkantoor, ‘het expeditieknooppunt’, dat daarna (1959) ontworpen werd, zijn louter abstract en exemplarisch voor de jaren zestig. De architect Piet Elling (1897-1962), was indertijd bevriend met De Stijlkunstenaar Bart van der Leck en bewonderde de abstracte kunst van De Stijl. De beide kunstenaars waren al overleden voor dat het gebouw in 1967 opgeleverd werd. Gekozen werd voor non-figuratieve en abstracte kunstwerken van de bekende kunstenaars André Volten, Peter Struycken en Jan Wolkers (1925). Struycken ontwierp voor enkele wanden een groot marmermozaïek met ruitvormige vlakken dat beweging suggereert. In de kantine en de voormalige gymnastiekzaal werden wanden met grijze rechthoeken in verschillende maten beschilderd volgens Struyckens ‘wetmatige berekeningen’. Voltens roestvrijstalen reliëfs sluiten naadloos aan bij deze beredeneerde kunst. De andere kunstwerken in het gebouw zijn van latere datum en vallen buiten het bestek van dit onderzoek. 96
AFBEELDING 3.56 PETER STRUYCKEN EN PIET ELLING (ARCHITECT), EXPEDITIEKNOOPPUNT PTT AMSTERDAM,
SPOORWEGEN
De stations van architect Sybold van Ravesteyn zijn, net als die van Schelling, beïnvloed door Italiaanse architectuur. De meeste stationsontwerpen zijn geïnspireerd door zijn reizen naar Italië. Het station van Nijmegen (1954) doet denken, mede doordat het ontwerp ook het stationsplein omvat, aan de colonnade met beelden van de San Pietro, maar dan voorzien van een Italiaanse campanile. Voor Van Ravesteyn was het silhouet van gebouw en beeld samen van groot belang. De architect liet zich ook inspireren door de barokke coulissewerking en liet voor dit doel de beelden steeds platter maken om uiteindelijk ze als uitgezaagde puzzelstukjes op de dakranden te plaatsen. (1957, Rotterdam, J.H. Baas)
AFBEELDING 3.57 JO UITERWAAL EN SYBOLD VAN RAVENSTEYN (ARCHITECT), 1950, POYCHROOM KERAMISCH BEELD, STATION VLISSINGEN
Zijn stations zijn geroemd om de uitgebalanceerde verhouding tussen kunst en architectuur en de bijzondere silhouetwerkingen die de architect met beelden en reliëfs wist te bereiken. Hij liet de keramische beelden, ontworpen door de Utrechtse beeldhouwer Jo Uiterwaal, ook wel in nissen plaatsen zoals in de Romeinse tijd bepaalde beelden in aediculae stonden. Het inmiddels gesloopte Station van Gouda (1952) had voor de beelden een opvallende plaats op de dakrand. De klassiek aandoende sculpturen, die in het nieuwe station herplaatst zijn, stellen diverse personificaties voor zoals die van de snelheid, veiligheid, dienstbetoon of stedelijke nijverheid. 97
De meeste chamottebeelden voor Van Ravensteyns stations zijn uitgevoerd bij Goedewaagen’s Koninklijke Hollandse Aardewerkfabriek in Gouda. De eerste beelden na de oorlog waren bestemd voor station Roosendaal. Met de drie kleibeelden die Van Ravesteyn door Uiterwaal liet maken, moderniseerde en verfraaide hij in 1949 de ingang van het grensstation. Op het stationplein plaatste hij op een bakstenen piloon een liggend beeld en een cornucopia (de hoorn des overvloeds).
AFBEELDING 3.58 LEX HORN EN KOENRAAD VAN DER GAAST (ARCHITECT), GLASAPPLIQUÉ, STATION EINDHOVEN, 1954
Van Ravesteyns keuze om keramische sculpturen te verkiezen boven stenen sculpturen is net als bij keramische tableaus door dezelfde praktische redenen als door financiële redenen bepaald: een keramisch beeld is goedkoper dan een stenen beeld. Maar Van Ravesteyn liet ook stenen beelden maken, zoals de beeldengroep in de vooroorlogse classicistische stijl van Gerrit van der Veen (1902-1944), gemaakt voor het viaduct van Utrecht Leidseveer (1939) en de Nijmegense beelden die Jo Uiterwaal in 1954 hakte.
AFBEELDING 3.59 WILLEM HEESEN EN, KOENRAAD VAN DER GAAST (ARCHITECT), 1964, GLASAPPLIQUÉ IN STATION ALMELO
De naoorlogse stations van de jaren vijftig en de vroege jaren zestig kregen langzamerhand een ander karakter. Volgens de jonge architect van de spoorwegen Koenraad van der Gaast (1923-1993) moesten ze het toonbeeld worden van moderniteit en dynamiek. De reiziger zou bij het bezoeken van bijvoorbeeld het station Eindhoven een indruk van de geest van de stad moeten krijgen: die was er een van durf, vitaliteit en dadendrang van de burgers. Lex Horn maakte hier in 1954-1956 een van de eerste Nederlandse glasappliqués. 98
De kunstenaar verbeeldde op het glasvlak, dat 7,80 x 6,50m meet, als op een grote reclameposter, belangrijke specialiteiten van de Nederlandse economie en samenleving zoals de scheepvaart, de visvangst en de dijkenbouw.
In hetzelfde station bevindt zich een rond, heldergekleurd glasappliquéraam van Horn met gestileerde vogels in vlucht dat in vorm en onderwerp doet denken aan het ronde raam van zijn professor Campendonk in het Amsterdamse Muiderpoortstation.
Een ander opmerkelijk glasappliqué bevindt zich in station Almelo (1964). Het is gemaakt door Willem Heesen (1925), een glaskunstenaar die in Leerdam zijn opleiding volgde bij Andries Copier (1901-1991). Hij ontwierp een overwegend blauwgroen glasappliqué van 325cm bij 285cm waarbij het venster verdeeld is in ongelijke geometrische ramen. De glasscherven waaruit deze compositie opgebouwd is, zijn in de oven aan elkaar gesmolten, in tegenstelling tot Horns glasappliqués waarbij de voorstelling ontstaan is door de glasvlakken op elkaar te lijmen. Heesens dynamische compositie bestaat uit kleine geometrische, overwegend driehoekige vormen waarin wuivende mensfiguren te ontwaren zijn. Ook dit moderne station is ontworpen door Van der Gaast. De overkapping, bestaande uit lattenwerk, wordt ondersteund door scherpe V-vormige kolommen, terwijl het accent gevormd wordt door een 25 meter hoge klokkentoren bekleed met zwart verglaasde bakstenen.
Van der Gaast gebruikte de betontechniek om met hypparschaaldaken een van de meest bijzondere naoorlogse stations, station Tilburg (1965) te overkappen. Het zaagtanddak lijkt als een tent te wapperen door de turbulentie die de trein veroorzaakt. Ook hier staan, net als vaak in de kunst van deze periode, de energie, de snelheid, de vooruitgang, de taal van de toekomst en de jeugd centraal. Van der Gaast wilde in zijn ontwerpen iets van het raffinement en de afwerking van de moderne transportmiddelen overbrengen.
AFBEELDING 3.60 PIET BUYS EN KOENRAAD VAN DER GAAST (ARCHITECT), 1965, ÉÉN VAN DE NEGEN GLASMOZAÏEKEN IN STATION TILBRUG.
Met dezelfde diagonale lijnen als in de Van der Gaasts architectuur, die in tegenstelling tot stabiele horizontale en verticale lijnen, beweging en snelheid suggereren ontwierp Piet Buys (1927) hier aan weerszijden van de entrees, negen glasmozaïeken. In ruitvormige blauwe glasblokjes verbeeldde Buys de reizigers die blijkbaar in de jaren zestig ook al zeer gehaast waren. Snelheid is hier niet meer verbeeld op de klassieke wijze door middel van een personificatie maar is uitgebeeld op een stripachtige tekenstijl door middel van mensen in silhouetten. Architectuur en kunst vullen elkaar ook hier aan tot een perfecte eenheid. Niet altijd spreken architectuur en kunst dezelfde ‘taal van de vooruitgang’. Toen architect Cees Douma (1933) het station in Emmen in 1965 ontwierp als een modern gebouw bestaande uit twee glastransparante kubussen (gekscherend aquaria genoemd) verenigd onder een zaagtanddak, kreeg Kees Wuisman (1930) de opdracht een mozaïek onder de loketten te maken. Zijn mozaïek, geeft in eenvoudige rechthoekige vormen een naïeve voorstelling weer, met ouderwetse wagonnetjes waarin heren met hoge hoeden zitten. Het contrast tussen deze figuratieve voorstelling en het moderne imago van het station is tamelijk groot.
De meeste beelden en reliëfs die tot eind jaren vijftig gemaakt waren, zijn figuratief en hadden net als de andere monumentale kunsten een symbolische, leesbare betekenis dat de functie van het station en de spoorwegen moest onderstrepen. Mede daardoor vormt de monumentale kunst een intrinsiek onderdeel van de architectuur. Piet Killaars beeldengroepje bijvoorbeeld, dat hij in 1958 voor het station in Venlo maakte, vertolkte overduidelijk het thema vertrek van reizigers door lopende mensen met koffers uit te beelden. Het was net zo duidelijk als het figuratieve fries dat Willy Mignot (1915-1972) in 1965 hakte voor station Eindhoven. Het speelse reliëf dat 62cm hoog en 8,50m lang is, verbeeldt, ook in de gekozen silhouetvorm, de reizigers.
Abstracte en geabstraheerde voorstellingen behoren in de vroege jaren vijftig tot zeldzaamheden mede omdat ze niet gemakkelijk te begrijpen zijn. Dat geldt ook voor Ben Guntenaars vierkante betonreliëfplaquettes, die hij al in 1952 voor het station Zutphen van Schelling maakte. De plaquettes vertonen geabstraheerde figuren, waarvan de titels ‘Weergaan’ en ‘Omzien’ met enige
AFBEELDING 3.61 WILLY MIGNOT EN KOENRAAD VAN DER GAAST (ARCHITECT), 1965, DETAIL VAN EEN RELIËF BIJ STATION EINDHOVEN.
fantasie te ontwaren zijn. Een opvallende opdracht voor een architect als Schelling die indertijd bij Alma’s werk de verstaanbaarheid van groot belang vond. Het betonreliëf was na de oorlog in Nederland een nieuwe techniek dat uitermate goed paste bij het nieuwe type station, waarin het betonskelet zichtbaar was gebleven. Een ander vroeg geabstraheerd beeld komt van de hand van Willem Reyers. Het in 1954 gemaakte bronzen beeld ‘Phoenix’ genaamd, lijkt niet speciaal naar de spoorwegen te verwijzen maar meer naar de wederopbouw in het algemeen: de phoenix of feniks verrees immers uit zijn as. Het beeld is geschonken door het stadsbestuur en met de plaats dat het sculptuur in de hal van station Arnhem inneemt, wordt het idee bevestigd dat het stationsgebouw nog steeds als het ontvangstgebouw van de stad gezien wordt.
Ook minder duidelijk van onderwerp is het (verdwenen) keramische fries van zes meter lang onder de loketten dat Hans de Jong (1932) in 1962 ontwierp in het station Driebergen-Zeist (Van der Gaast). Het kleurige reliëf dat wat betreft de glans goed past bij de glimmende treinen, is opgedeeld in vierkanten die bij nadere beschouwing elk een andere voorstelling hebben: een rad, een wiel, en treinsporen.
De traditionele spoorwegthema’s als heengaan, vertrek en weerzien zijn, met het langzaamaan uit de mode raken van de figuratieve kunsten in de jaren zestig, zo goed als verdwenen. De monumentale kunst aan stationsgebouwen kreeg in de tweede helft van de jaren zestig een meer zelfstandige positie, waarbij het ontdaan werd van intrinsieke boodschappen zoals de vrouwelijke personificatie van de Nijverheid.
AFBEELDING 3.62 COR VAN DAM EN KOENRAAD VAN DER GAAST (ARCHITECT), 1962, KERAMISCHE WAND IN STATION RIJSWIJK
Een mooi voorbeeld hiervan is de geheel abstracte keramische wand uit 1966 van Cor van Dam (1935, uitgevoerd bij de Porceleyne Fles) in station Rijswijk, dat opgebouwd is uit gekleurde, zeskantige tegels die samen een spannend ikat-achtig compositie vormen. Het kunstwerk dat speciaal voor die plaats in het gebouw ontworpen is, heeft nu een andere binding met het stationsgebouw en beïnvloedt de ruimtewerking van het station.
|