|
Oorlogen houden niet op nadat de vrede is getekend, daarna beginnen verwerkingsprocessen die psychosociaal en cultureel minstens nog eens zó ingrijpend zijn. Naast bijvoorbeeld politieke zuiveringen en expositieverboden, laten de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog op het punt van ‘verwerking’ in de beeldende kunst ook allerlei vormen van polarisering, splitsing of artistiek sectarisme zien (bijvoorbeeld van een kunstenaarsgroepering als De Realisten, voorvechters van een verhalende figuratieve schilderkunst aan de ene kant of de Experimentele Groep/Cobra met haar extreme abstract-expressionisme aan de andere kant), maar natuurlijk ook van samenwerking.
AFBEELDING 4.1 OMSLAG FORUM JRG 1, NR 1
Tussen beeldende kunstenaars onderling gingen samenwerkingen soms zó ver, dat men kan spreken van ‘beeldend collectivisme’. Dit collectivisme greep zowel terug op vooroorlogse vormen van ‘collectieve opdrachtverlening’ (met de eis zich stilistisch ‘te voegen’), als op onderlinge samenwerkingsmodellen ontwikkeld in het verzet. Amsterdam had zijn gebonden sociale opdrachten tijdens de crisisjaren vaak ‘groepsgewijs’ vergeven – op die manier konden meer kunstenaars gebruikmaken van het weinige geld – en dat bleef voorlopig zo na de oorlog, om dezelfde reden. Kunstenaars gingen onderling ook eigener beweging dat soort samenwerkingen aan, vanuit programmatische bedoelingen. Vaak geïnspireerd vanuit links-utopische visies kwam dat neer op het opgeven van eigen beeldende individualiteit, met de optiek een ‘nieuwe gemeenschapskunst’ te doen ontstaan.
Vanuit de architectenwereld, die een andere mate van stabiliteit en organisatie-vermogen vertoont dan die van beeldende kunstenaars, werd direct na de oorlog uitdrukkelijk gepleit voor integratie van beeldende kunst en architectuur, kunst en leven (zie voor meer: 3.6). Forum publiceerde in het vierde nummer van de eerste jaargang (juli 1946) dan ook direct al een door mr. J. Sjollema (1900-1990) samengesteld historisch overzicht van de Nederlandse monumentale kunst. Forum werd vervolgens een van de belangrijkste tijdschriften voor de naoorlogse ambachtelijke monumentale kunsten. Maar opvallend is dat in een ander belangrijk, links georiënteerd tijdschrift voor beeldende en uitvoerende kunsten als het na de oorlog weer verschijnende kroniek van kunst en kultuur, relatief slechts weinig aandacht was voor monumentale kunst. Daarmee bleef deze artistieke praktijk dus ook intellectueel vooral ‘architectonisch gebonden’ en ontstond geen werkelijk gelijkwaardige intellectuele wisselwerking tussen ‘beeldende kunst’en ‘architectuur’. Steekhoudende theorievorming daarover vond merendeels plaats in architectuurtijdschriften en dat bleef ook zo, bij gebrek aan belangstelling bij andere podia van enig gewicht. 99
|