Instituut Collectie Nederland icn project | wederopbouwkunst
Home arrow Categoriaal Onderzoek Wederopbouw 1940-1965 arrow 4.1 Wandschilderingen: Los Van De Wand
Hoofd Menu
Home
Project Monumentale Wandkunst
Organisatie
Kunstenaars
Technieken
Agenda Monumentale Wandkunst
Categoriaal Onderzoek Wederopbouw 1940-1965
Stappenplan behoud Monumentale Wandkunst
Uitgelicht
Vraag en aanbod
- - - - - - -
Contact
Links
FAQ
Administrator
Login Gebruikers





Wachtwoord vergeten?
4.1 Wandschilderingen: Los Van De Wand

JOOST VAN ROOJEN, WANDSCHILDERING WEG EN WATERBOUW RIJKSWATER-STAAT, 1963, DELFTAFBEELDING 4.21 JOOST VAN ROOJEN, WANDSCHILDERING WEG EN WATERBOUW RIJKSWATERSTAAT, 1963, DELFT

Het is opvallend hoe weinig werkelijk inspirerende voorbeelden van concreet-vlakke wandschilderkunst de LIGA heeft opgeleverd. Vanaf 1954 zijn er maar een paar voorbeelden van, waaronder de zeer gesystematiseerde kleur- en vormstudies van Joost van Roojen (zwager van architect Aldo van Eyck), die in de literatuur omschreven worden als ‘eenheid van taal en teken’. 123

Zijn beroemde buitenschilderingen aan Van Eycks speelplaatsje aan de Amsterdamse Zeedijk (1958, vernietigd), schilderingen in het Gebouw voor Weg- en Waterbouwkunde van TH Delft (1963, bedreigd), schilderingen in de Aula van de TH in Delft (Bakema, 1965). 124 Veel bleef steken in maquettes. Wat eventueel wèl werd uitgevoerd, zoals de buitenschilderingen aan het Amsterdamse Jan van Galenbad van Ger Gerrits (1960), een van de ondertekenaren van het beginmanifest van LIGA Nieuw Beelden en naast Karsten actief propagandist van de architectonisch gebonden abstract-geometrische kunst, verdween alweer snel.125 Van de (nu vaak nèt nog) bestaande voorbeelden zijn het vooral die, welke een meer romantische invulling geven aan het beoogde picturaal-architectonische ‘teken’.

WILLEM HUSSEM, WANDSCHIL-DERING WAND LERAARSKAMER ZUIDERPARK HBS, 1958 DEN HAAG

AFBEELDING 4.22 WILLEM HUSSEM, WANDSCHILDERING WAND LERAARSKAMER ZUIDERPARK HBS, 1958 DEN HAAG

De grote wandschildering van de Haagse dichter-schilder Willem Hussem op de wand van het lerarenlokaal van de Zuiderpark HBS in Den Haag (1958) laat bijvoorbeeld interessante en vroege reflecties zien op de mystieke ‘kunst van het teken’ in de schilderkunst van de Rus Kasimir Malevich. Hussem moet vertrouwd zijn geweest met diens werk, want het was kort tevoren in de collectie van het Stedelijk Museum gekomen. Ook de abstracte schilderingen in opake muurverf direct op de baksteenwand van Frieda Hunziker (1963, bedreigd) in de Goeman Borgesiusschool in Amsterdam-Geuzenveld vallen in deze categorie van ‘romantische

FRIEDA HUNZIKER, WAND-SCHILDERING, 1963, GOEMAN BORGESIUSSCHOOL, AMSTERDAM AFBEELDING 4.23 FRIEDA HUNZIKER, WANDSCHILDERING, 1963, GOEMAN BORGESIUSSCHOOL, AMSTERDAM

concretie’. Daartegenover een aantal die ‘het schilderen avantgardistisch geheel voorbij is’. Van dat soort voorbeelden zijn er slechts mondjesmaat te vinden, zoals de beide vóór elkaar geplaatste ‘scheidingswanden in ribglas en kleurtape’ – ieder ongeveer 3 x 3m - die Charles Karsten op verzoek van architect Gawronski ontwierp voor de foyer van diens Wibauthuis in Amsterdam. Dit werk van Karsten uit 1962 is uitzonderlijk, want werkelijk ‘architectonisch geïntegreerd’ en een van de beste voorbeelden van wat de LIGA beoogde. Wat karakter betreft is het misschien veel minder een ‘wandschildering’ dan een kinetisch of op-art environment: de verticale kleurstrepen in de wanden (geel, rood, zwart en blauw op wit) verspringen en veranderen in het voorbijlopen – maar concreet gesproken is het werk net zo op zijn plek gefixeerd als een wandschildering. Door in te spelen op de fysiologische eigenschappen van het oog van een bewegende kijker lijkt de gefixeerde kleur zelf beweeglijk te worden. Het werk kan in zijn visuele effect ook alleen maar gefilmd worden en niet gefotografeerd. Karsten wees er een nieuwe weg mee in de architectonisch gebonden picturale wandkunst (afgebroken in 2007, gedemonteerd en opgeslagen, wordt herplaatst in nieuwbouw). ‘Ambachtelijke wand(schilder)kunst’ ontbrak in Gawronski’s schepping voor de Amsterdamse Dienst Publieke Werken of was alleen aanwezig als ‘autonoom schilderij’ (o.a. van Frieda Hunziker), of als wandtapijt (Dirk Breedvelt). De geschiedenis van de jaren 1930 begon zich in de vroege jaren 1960 te herhalen. De architectuur-gebonden kunst maakte zich weer los van de wand en verzelfstandigde. Dat gebeurde bij de LIGA, die na 1960 een andere koers begon te varen (Constant met zijn homo ludens/Nieuw Babylon kreeg veel meer invloed) en zich losmaakte van haar historische voorbeelden, maar ook bij de VbMK. Bij de LIGA duwde de architectuur de ambachtelijke schilderkunst los, bij de VbMK begonnen de schilders zich van de wanden los te scheuren.

CHARLES KARSTEN, SCHEIDINGSWANDEN IN GLAS EN PERPEX, 1962, FOYER WIBAUTHUIS, AMSTERDAM. AFBEELDING 4.24 CHARLES KARSTEN, SCHEIDINGSWANDEN IN GLAS EN PERPEX, 1962, FOYER WIBAUTHUIS, AMSTERDAM.

De VbMK-tentoonstelling De Muur, in november 1964 in het Amsterdamse Museum Fodor (en een jaar nadat het VbMK-boekje Teken aan de Wand was verschenen, als ‘kennismakingsoverzicht van wat was bereikt’), betekende voor degenen die wilden horen en zien, dat het eigenlijk voorbij was met de meer traditionele vormen van wandschilderkunst. Deelnemers waren kunstenaars die zowel gebonden als vrij werkten, o.a. Rudi Bierman (1921-1972), Pierre van Soest (1930-2002), Wim Strijbosch, Jan Sierhuis (1928) en Aart Roos. Het was een ‘tentoonstelling’, zodat iedereen weer - als was het opnieuw 1948 - op losse panelen of doek schilderde. De bedoeling was echter helemaal niet die van 1948, men schilderde ook niet ‘collectief’. Bierman schreef het manifest Muur 64’64. 126 De teneur van de tekst roept op sommige punten herinneringen op aan de Realisten, met dat verschil dat iedereen hier juist voluit abstract-expressionistisch werkte. “Onder het toeziend oog van de architect hebben wij de kleurwaaier gehanteerd. Vol ijver hebben we zonnen, vissen en blauwe vogels gepenseeld, opdat niemand geconfronteerd zou worden met een een waarachtig levensgevoel, wel aanwezig in onze schilderijen. Netjes zijn we geweest en hebben niet gespetterd op muren en vloeren. We hebben niemand kwaad gedaan. (...) Er was geen schreeuw, geen lach, geen gebeuren. Onzichtbaar waren wij, schilders zonder gezicht. Dwars door ons heen kon men de fraaie structuur van de wand bewonderen, baksteen waren wij in blauwdruk. Naast ons de goed gekleurde deur, wij pasten bij elkaar, want samen deden wij niets. Wij waren toegepast en aangepast. (...) (Wij) zijn er [ons] opnieuw van bewust dat het onze taak is een eigen geluid te laten horen, een eigen stem temidden van staal en beton. Wat wij nastreven is een volwaardige en zelfstandige plaats voor het autonome kunstwerk. (...) De architecten zullen bewust een keuze moeten doen, beeldende kunst of geen beeldende kunst. De risicoloze weg der onbegrepen pseudo-integratie heeft bewezen een doodloper te zijn.”

Dat bleek juist gezien. En zo kwam het dus, dat schilders en architecten het eindelijk eens waren en nu in gezamelijkheid grote losse, schilderijen begonnen op te hangen. De nieuwbouw van het Ministerie van Cultuur Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM) in Rijswijk kreeg in de personeelskantine dan ook geen wandschildering meer van Hussem, maar een enorm autonoom schilderij van zijn hand. In 1965 werd de monumentalist Berend Hendriks aangesteld als docent ‘ruimtelijk vormgeven’ aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem, waar in 1966 de Afdeling Monumentaal Nieuwe Stijl van start ging. Berends ontmoette daar ook de jonge Peter Struycken, tegelijk met hem aangesteld bij de afdeling kleur en vormleer. In Arnhem zouden de lessen van de opeenvolgende CIAM-congressen, de Hochschule für Gestaltung in Ulm (opgericht in 1955 ), de Duitse concrete kunst en de Amerikaanse Landart richtingevend worden voor een geheel nieuwe benadering van de monumentale kunsten: de Arnhemse School en de ‘omgevingskunst’. 127 Daarmee werd de monumentale kunst als architectonische gebonden kunst losgemaakt van het architectonische object – het gebouw – en werd het onderdeel van de stadsplanning en dus ‘urbanistisch gebonden’, als ‘zorg voor de omgeving’. Binnen was definitief buiten geworden.

 
< Vorige   Volgende >
Inhoudsopgave