Instituut Collectie Nederland icn project | wederopbouwkunst
Home arrow Categoriaal Onderzoek Wederopbouw 1940-1965 arrow Eindnoten
Hoofd Menu
Home
Project Monumentale Wandkunst
Organisatie
Kunstenaars
Technieken
Agenda Monumentale Wandkunst
Categoriaal Onderzoek Wederopbouw 1940-1965
Stappenplan behoud Monumentale Wandkunst
Uitgelicht
Vraag en aanbod
- - - - - - -
Contact
Links
FAQ
Administrator
Login Gebruikers





Wachtwoord vergeten?
Eindnoten
  1. Bijv.: A.M. Hammacher, Stromingen en persoonlijkheden – een halve eeuw schilderkunst in nederland, Amsterdam, 1955; A.M. Hammacher, Beeldhouwkunst van deze eeuw – en een schets van haar ontwikkeling in de negentiende eeuw. (serie 'De Schoonheid van ons Land', deel 14), Amsterdam, 1955; Charles Wentinck, De Nederlandse Schilderkunst sinds Van Gogh, Nijmegen, 1959; H. Jaffé, 'De beeldende kunst in Nederland na 1945' en H. Redeker 'Het Hollandse karakter in de schilderkunst voor en na 1945', in: Drukkersweekblad Autolijn, Kerstnummer 1960/52, pp. 17-19 en pp. 21-42; H. Gerson, Voor en na Van Gogh. De Nederlandse schilderkunst – deel III (serie' De Schoonheid van ons Land', deel 17), Amsterdam 1961; Dr. H.E. van Gelder e.a. (eds.) Kunstgeschiedenis der Nederlanden – Negentiende en Twintigste Eeuw (2 delen) en De Twintigste Eeuw (2 delen), Utrecht 1954/56 (3) en 1963/64 (4); tent.cat. Nationale Herdenking 1813-1963 – 150 jaar Nederlandse Kunst, Stedelijk Museum Amsterdam, 1963.
  2. Bijv. G. Imanse e.a. (eds.) Van Gogh tot Cobra Nederlandse Schilderkunst 1880-1950, Württemberg/Amsterdam, 1982; G. Imanse (ed.) De Nederlandse Identiteit in de kunst na 1945, Amsterdam 1989; C.Blok (ed) Nederlandse Kunst vanaf 1900, Utrecht (Teleac), 1994
  3. Pieter Jongert, 'Wandschilderkunst 1945-1952' in: W. Stokvis (ed), De Doorbraak van de moderne kunst in Nederland – de jaren 1945-1951, Amsterdam, 1984, pp 155 ev.
  4. Ineke Middag, 'De voorgeschiedenis van de “Arnhemse School”; de integratie der kunsten 1945-1966' in: I. Middag, J. Fritz-Jobse (eds.), De Arnhemse School: 25 jaar monumentale kunstpraktijk, Arnhem (Hogeschool voor de kunsten), 1994; Wilma Jansen, Kunstopdrachten van de Rijksgebouwendienst na 1945, Rotterdam, 1995
  5. Herplaatst -kostbaar, maar goed mogelijk meestal- moeten ze het dan hebben van hun beeldende overtuigingskracht of historische belangwekkendheid. Van geslaagde herplaatsingen zijn intussen al vele goede voorbeelden. In musea ontbreken verplaatste werken van deze categorie echter vrijwel geheel en dat om voor de handliggende redenen. Afgezien van zeldzame probeersels op internetveilingsites, wordt er ook geen succesvolle handel in bedreven. De soms, op verzoek van in het nauw gedreven eigenaars, door de reguliere kunsthandel of door veilinghuizen gegeven financiële taxaties zijn feitelijk dan ook irrelevant en zelfs contraproductief: er is geen handel in, dus is er ook van een 'ruilwaarde' geen sprake. De gegeven ruilwaarde ('taxatiewaarde') wordt vaak echter als argument gebruikt om niet over te hoeven gaan tot het maken van – hogere – verplaatsings- of restauratiekosten. Door het leveren van verkeerde argumenten speelt de kunsthandel dus soms een destructieve rol in het behoud van nagelvaste kunsttoepassingen. Een integere handelaar of veilingmedewerker, die zich gebonden weet aan een ethische beroepscode, zou daar niet toe over moeten gaan.
  6. Dat confronteert direct ook weer met een andere complexiteit van het fenomeen: de regelingen zelf zijn 'geglobaliseerd' en bovenregionaal geldig, de invullingen zijn echter vaak 'plaatselijk'. De bovenregionale opzet van de in 1952 opgerichte beroepsvereniging Vereniging van beoefenaren der Monumentale Kunsten (VbMK) bracht daarin geen verandering. 'Bekenden' in Friesland werden daarmee bijvoorbeeld geen 'bekenden in het westen'.
  7. Degenen die aangesloten waren bij de VbMK vermeldden in het in 1963 verschenen boekje VbMK- Teken aan de Wand ook uitdrukkelijk: 'beoefent alle monumentale technieken'. In de brochure-met-ledenlijst MK Ruimte uit 1956 ontbrak die vermelding nog, wat zou kunnen betekenen dat 'beoefening van alle monumentale technieken' vanzelfsprekend werd geacht, omdat de kunstenaars zelf hun ambachtelijk-artistieke besognes als binnen één beeldend continuüm zagen: ze zagen het zelf vaak ook als 'een oeuvre'
  8. Ook aan dit 'gesamtkunstige' dubbelaspect van de toenmalige architectuurpractijk wordt nog steeds veel te weinig aandacht besteed: het is – niet helemaal onverwacht - nog altijd losgeknipt in 'bouwen' en 'sieren', d.w.z. in van elkaar gescheiden categorieën 'architectuur' en 'kunstnijverheid'.
  9. Bijv. Friedhoff, Raadhuis in Enschede 1933. Voor het Rijksbouwbeleid zette deze benadering alvast weer een trend, die pas na de oorlog van belang werd.
  10. Zijlmans K. (1985). 'Een ongewenste vreemdeling: Heinrich Campendonk', Jong Holland 1 (1985) 3, p. 2-9.
  11. Scheen P.A., Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950, 's-Gravenhage, 1970
  12. Braat L.P.J. Uit de werkplaatsen der beeldhouwers, Amsterdam z.j., p.18
  13. J. Viegen, Balans der moderne Limburgse wand- en schilderkunst. (1955), p. 113
  14. Leeuwen F. van, Gène Eggen. Traditie is overleven. Ulestraten/Venlo (2005), p. 46, 53
  15. BW 1945, p. 58
  16. Sarlemijn G.J.M. (1946). 'Weerbare Democratie', Forum 1 (1946) 1, p. 28, 29
  17. Stam, indertijd directeur van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (IVKNO) idealiseerde het Dessause Bauhaus ten tijde van de communist Hannes Meyer. Sandberg, ook marxist, had Stam aan deze positie geholpen en zelf grote steun ondervonden bij de PvdA-wethouder kunstzaken mr. A. de Roos.
  18. Leden van De 8: Jan Piet Kloos, C. De Vries, Alexander Bodon, Abraham Elzas, Ben Merkelbach, Hein Salomonson en Johan Niegeman.
  19. redactie, 'Problemen van de toekomstkunst. Wandschilders experimenteren', in: De Waarheid (29-5-1948)
  20. ibid.
  21. Merkelbach B. (1948). 'Enkele opmerkingen naar aanleiding van de tentoonstelling 'Wandschilders experimenteren' in het Stedelijk Museum te Amsterdam van 15 mei tot 15 juni 1948, Forum 3 (1948) 8, p. 217, 218, Bons J. (1948a). 'Over samenwerking tussen architecten en schilders', Forum 3 (1948), 8, p. 210-216. Bons J. (1948b). 'Naschrift', Forum 3 (1948) 8, p. 216
  22. Zie 3.6
  23. Hendriks B. (1953). 'Vereniging van Beoefenaars der Monumentale Kunsten', Forum 8 (1953) 10, p. 304, Genootschap Architectura et Amicitia, Nederlandse Kring van Beeldhouwers en Vereniging van Beoefenaars van de Monumentale Kunsten, 'Brief aan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen', Forum 8 (1953) 6, p. 215.
  24. Stichting Liga Nieuw Beelden, Liga Nieuw Beelden, 1955-1969, Amsterdam 1969
  25. Stichting Liga Nieuw Beelden, Liga Nieuw Beelden, 1955-1969, Amsterdam 1969, p.1
  26. Karsten, Ch., brief aan de leden z.d. (ca. 6-5-1956) LIGA Nieuw Beelden, Attentie, Forumvergadering van A&A op 18 mei om 8 uur precies in het SM (uit het Karsten-archief NAI)
  27. Teeuwisse J. '1914-1945' in Beerman, M., Burkom F.van, Grijzenhout F., Beeldengids Nederland, Rotterdam 1994, p. 31
  28. Beks, M. Acht Realisten, Venlo 1993
  29. Dooren E. van, Vrij Beelden en Creatie, Amstelveen 1996, p. 108
  30. Ibid, p. 21
  31. Stokvis, W. Cobra. Geschiedenis, voorspel en betekenis van een beweging in de kunst van na de tweede wereldoorlog, Amsterdam 1980
  32. Adrichem. J.N.M. van, Beeldende kunst en kunstbeleid in Rotterdam 1945-1985, Rotterdam 1987, p. 21
  33. Leeuwen F. van, Gène Eggen. Traditie is overleven. Ulestraten/Venlo (2005), p. 46, 53
  34. Viegen p. 94, glasschildering in 1943 in Main Restaurant, Chicago, 1944 New York
  35. Forum 1950, p. 191-242, Adrichem, J. van, Beeldende kunst en kunstbeleid in Rotterdam 1945-1985, Rotterdam 1987, p. 17; Merkelbach B. (1950). 'Ahoy', een mijlpaal', Forum 5 (1950) p. 242; Broek J.H. van den en J.B. Bakema (1950). 'Rotterdam Ahoy', Forum 5 (1950) 6, p. 191-199
  36. Bouwkundig Weekblad, 1955, p. 376-384 Vries R. de (1955): 'De Nationale energiemanifestatie E 55, 18 Mei- 3 September 1955', Bouwkundig Weekblad 73 (1955) 33/34, p. 374-375, Broek J.H. van den en J.B. Bakema (1955): 'De tentoonstelling E55 is een demonstratie van energie in Nederland ontwikkeld van 1945-1955', Bouwkundig Weekblad 73 (1955) 33/34, p. 375-384
  37. Genootschap Architectura et Amicitia (1955): 'Programma van de Studieprijsvraag voor een Wijkcentrum Amsterdam-Noord', Forum 10 (1955) 6, p. 158-208
  38. Freek Heijbroek, 'Aart Pit', Bulletin RMA 33(1985)4, pp.233-265; p.242-244.
    Uiteindelijk zou alle geschilderde decoratie sneuvelen onder het hoofddirectoraat van Schmidt Degener (v.a. 1922). Als onderdeel van de eliminering van de twintigste eeuw in het RM, zullen ook deze decoratieschilderingen na voltooiing van de verbouw en restauratie van het Rijksmuseum weer zichtbaar zijn.
  39. F. van Burkom en H. Mulder, Erich Wichman 1890-1929 Tussen Idealisme en Rancune, Centraal Museum Utrecht, 1983, pp. 98-101 en afbeeldingen.
  40. Met dien verstande dat de overeenkomst met hem pas in 1956 officieel werd gemaakt. Niet vanwege Krops toen ruim 25 jaar durende werkzaamheden voor de, ook internationaal gezien, hoogst uitzonderlijke vormgeving van de Amsterdamse stedelijke ruimte, maar als eerbetoon aan zijn anti-Duitse houding tijdens de bezetting. E.W. Folkertsma 'Hildo Krop en de gemeente Amsterdam', in Monumentale Beeldhouwkunst in Nederland, NKH-jaarboek 34, 1983 , pp. 227-278 (pp. 233-43); F.J.van Burkom 'Krop Kramer en De Klerk' tent. cat. In Beeld gebracht, Amsterdam (Amsterdams Historisch Museum), 1994.
  41. zo: Hulshoff in 1922, geciteerd bij Ype Koopmans, H.A. van den Eijnde, 1994, Drents Museum, Assen, p. 80 en p. 30. Koopmans geeft aan dat de reorganisaties bij Landsgebouwen al in 1917 plaatsvonden. De Rijksbouwmeesters, Rotterdam, 1995- pp. 355 vv houdt het op 1919. Volgens Koopmans werkte Van den Eijnde echter al vanaf 1917 voor rijksbouwmeester Vrijman aan het Laboratorium voor Organische en Anorganische Scheikunde van de Technische Hogeschool Delft.)
  42. Jansen/Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam 1920-40, dr. E. Boekman en de socialistische gemeentepolitiek, Nijmegen 1983, pp. 168-175
  43. Thecla Renders 'Kunstenaarsorganisaties' in: W. Stokvis (ed.) De Doorbraak van de Moderne Kunst in Nederland, Amsterdam/Leiden, 1984, p. 108
  44. zie:Ype Koopmans, Muurvast en Gebeiteld, Rotterdam, 199 'percentageregelingen' pp. 247-250
  45. Wilma Jansen, Kunstopdrachten van de Rijksgebouwendienst, Rotterdam, 1995, pp. 11-16
  46. zie: Oude pracht en nieuwe snit – de gebouwen waarin het ministerie van onderwijs en wetenschappen is gevestigd, Den Haag SDU/OenW, 1980
  47. Kort na de oorlog waren De 8 en Opbouw al vier belangrijke leden kwijt: Jan Duiker (1890-1935), Leendert van der Vlugt (1894-1936), Han van Loghem (1881-1940) en Jan Brinkman (1902-1949)
  48. J.J.P. Oud had voor opwinding gezorgd binnen in de moderne architectenwereld met zijn door ornamenten opgeluisterde Bim-gebouw (1937-1942), later Shell-gebouw. Als architect was hij voordien lid van de Stijl geweest en was zijn architectuur het lichtende voorbeeld voor de ware architectuur van het Nieuwe Bouwen. Het gedecoreerde Bim-gebouw werd hem door zijn collega's, moderne architecten, in binnen- en buitenland niet in dank afgenomen.
  49. Bouw 1947, p. 389-397; Woud A. van der, CIAM, Volkshuisvesting, Stedebouw/Housing, Town Planning. Delft/Ottelo (1983), p. 96, 98; Redactie Forum 7 (1952) p. 90, Bakema J.B. (1947a). 'Het nieuwe bouwen en verder'; Forum 2 (1947)1, p. 66-68. Bakema J.B. (1947b). 'Bridgewater-1947'; Bouw 2 (1947) 48, p. 389-397
  50. Redactie, 'Vraaggesprek in de Ruimte', Kroniek van Kunst en Kultuur 10 (1949) 6, p. 195
  51. Forum (1948), p. 210 ev
  52. Adrichem. J. van, De ontvangst van de moderne kunst in Nederland 1910-2000, Amsterdam 2001, p. 227
  53. Sijmons K.L. (1946b), 'Over Matisse en Picasso', Forum 1 (1946) 2, p. 48-51
  54. Groep 32 stond onder leiding van Albert Boeke (1891-1951) met als leden Piet Zanstra (1905-2003), Jan Giesen (1903-1980), Auke Komter (1904-1982), S. van Woerden, Johan Groenewegen (1901-1958). De architectuur van Sybold van Ravesteyn die ook uit De 8 en Opbouw was getreden, werd door Groep 32 hoog geprezen voor de stedenbouwkundige monumentaliteit met klassieke vormen verfraaid met sierlijke, golvende daklijnen en hoeken en ornamenten. Sijmons werkte later wel met kunstenaars als Appel en Antonio Saura (1930-1998). (Bock M. Rossem V. v. e.a., Van het Nieuwe Bouwen naar een Nieuwe Architectuur. Groep 32, 's-Gravenhage 1983)
  55. Granpré Molière M. J. (1949). Woorden en werken, Heemstede 1949
  56. Forum 1946, p. 60-70
  57. Ravesteyn S. van (1949). 'Het stationsgebouw te Gouda', Bouwkundig Weekblad 67 (1949) 38, p. 409-413; Ravesteyn S. van (1950). 'De taal der architectuur', Bouwkundig Weekblad 68 (1950) 19, p. 304-307; Blotkamp H., E. de Jong e.a. (1977/1978). Sybold van Ravesteyn. Nederlandse Architectuur. Amsterdam/ Utrecht, Stichting Architectuur Museum/ catalogus Centraal Museum 1977/1978
  58. Berkovich E. (1956). 'Practische toepassing van kleuren op scholen', Bouwkundig Weekblad 74 (1956) 6, p. 76-79); Baljeu J. (1956). 'Kleur in de samenleving', Het Gemenebest 16 (1956) 6, p. 81-83
  59. Hammacher A.M. (1955c). 'Rede van Prof. A.M. Hammacher op 18 juni 1955 bij de opening van de tentoonstellingen 'Wijkcentrum Amsterdam-Noord'en 'Nieuw beelden' in het Stedelijk Museum te Amsterdam', Forum 10 (1955) 6, p. 154, 155. Vriend J.J. (1955), 'De tentoonstelling 'nieuw beelden' in het Stedelijk Museum'. Forum 10 (1955b) 6, p. 203
  60. Van Eyck stond vermeld op de ledenlijst van de LIGA maar in de ruim 650 pagina's dikke monografie: Strauven F. Aldo van Eyck. Relativiteit en verbeelding. Amsterdam, 1994 wordt de LIGA niet genoemd.
  61. Woud, A.v.d., CIAM, Volkshuisvesting, Stedebouw / Housing, Town Planning, Delft/Otterlo 1983, p. 96, 98; Redactie Forum 7 (1952), p. 159
  62. Karsten Ch.J.F. (1957). 'Integratie of synthese van de architectuur en beeldende kunsten', Bouwkundig Weekblad (1957) 75, p. 549 – 552
  63. Bons J. (1957). 'Over integratie van beeldende kunst en architectuur', Bouwkundig Weekblad (1957) p. 553 – 556
  64. Broek J.H. van den (1957). 'Beeldende kunst en architectuur: van integratie tot synthese', Bouwkundig Weekblad 75 (1957) p. 560-564
  65. Hartsuyker H. (1959). 'Samengaan van kunst en architectuur is op drie wijzen mogelijk', Forum 14 (1959) 6, p. 175
  66. Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Decoratieve aankleding van rijksgebouwen en scholen, z.p., z.j.
  67. Het Stedelijk Museum heeft op de zogenaamde Buitenbeeldenlijst een groot aantal gemeentelijke kunstwerken met kunstenaar en datum, van nummers voorzien en in kaart gebracht. Een andere – onvolledige - Amsterdamse gemeentelijst is het 'Rapport naar de toestand der monumentale kunst werken aanwezig in de gebouwen t.b.v. het onderwijs' (SM no. 58890, 28-5-79) met 121 onderzochte kunstwerken, waarvan er 69 wandschilderingen blijken te zijn.
  68. Abrahamse J.E. (1998). Een schip aan de Wibautstraat. Europa College. Utrecht 1998; Geus C. de, J.B. Ingwersen (1957). 'Ambachtsschool te Amsterdam. Toelichting van de architecten', Bouwkundig Weekblad 75 (1957) 11, p. 128
  69. Oud J.J.P. (13-1-1951), 'Architect en schilder', De Groene Amsterdammer (13-1-1951)
  70. Woud, A. van der, CIAM, Volkshuisvesting, Stedebouw/Housing, Town Planning. Delft/Ottelo (1983) , p. 92- 105; Strauven F. Aldo van Eyck, relativiteit en verbeelding, Amsterdam 1994, p. 301 ev; Eyck A.E. van, H. Herzberger (1959). 'Drempel en ontmoeting: De gestalte van het tussen', Forum 14 (1959) 7, p. 247-278
  71. Hendriks B., 'Brief aan een bouwmeester', in: Spaanstra-Polak B., Teken aan de wan,. Utrecht z.j., p. 43-48
  72. Hendriks B. (1961), 'Uitgesteld afstel', Op Steiger 1 (1961), 1, p. 13-31
  73. Strauven F., Aldo van Eyck. Relativiteit en verbeelding. Amsterdam (1994) p. 203-206
  74. Sanders K., 'Taak van het Bureau voor Aesthetische Adviezen', Forum 3 (1948), p. 82-84
  75. Mieras J.P. (1948). 'Bureau voor Aesthetische Adviezen', Bouwkundig Weekblad 66 (1948) p. 210, 211; Sanders K. (1948). 'Taak van het Bureau voor Aesthetische Adviezen', Forum 3 (1948) 3/4, p. 82-84
  76. Stichting 'Kunst en Bedrijf ' juni 1959
  77. Bouwkundig Weekblad (1954), p. 18-20; Bouw (1960), p. 421); Lubbers A. 'Stichting Kunst en Bedrijf', Bouwkundig Weekblad 69 (1951) 27/28, p. 264; Gischler C.J., 'Waarom is de 'Stichting Kunst en Bedrijf' ook van belang voor architecten?', Bouwkundig Weekblad 72 (1954), 1/2 p. 18, 19
  78. P.H. Ritter jr., B. Bakker Schut, H.Th. Wijdeveld, De Bijenkorf, 's-Gravenhage, 'Het paleis der levensvreugde, Den Haag' en 'De Bijenkorf, De opdracht, de bouw, de architect. Paleis der Levensvreugde', z.p. 1926.
  79. Peet, C. v.d. Peet, G. Steenmeijer, Rijksbouwmeesters. Twee eeuwen architectuur van de Rijksgebouwendienst en zijn voorlopers, Rotterdam 1995, p. 391
  80. In het boek De Rijksbouwmeesters wordt vermeld dat de PTT-percentageregeling tijdens de WO II al weer geruisloos van het toneel verdwenen was. (Peet, C. van der en G. Steenmeijer, De Rijksbouwmeesters. Rotterdam 1995 p. 545
  81. Sinds 1921 was Van Royen ook voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts-en Nijverheidskunst (VANK), oprichter van de Samenwerkende Kunstenaarsverenigingen (SKV, 1932) en initiatiefnemer van de Federatie van Beroepsverenigingen van Kunstenaars, dat drie jaar na het overlijden van Van Royen in 1945 werd geëffectueerd.
  82. Hammacher werkte van 1929 tot 1945 bij de PTT, trad daarna kort in dienst bij het Ministerie van OK&W.
  83. Koopmans Y. Muurvast en Gebeiteld, Rotterdam 1997, p. 249
  84. Frits van Hall, opgeleid door Jan Bronner, maakte voor het stadhuis bronzen balkonhekken waarop hij de geschiedenis en anekdotes van Enschede afbeeldde. Hij gaf in drie koperreliëfs het verhaal van 'de drie parsen' weer die, refererend aan de textielindustrie van de regio, levensdraden spinnen en afsnijden. Theo van Reijn, leerling van Bart van Hove, maakte een ajourhouten paneel. De glas-in-loodvensters van de trouwkamers en van de gangen van Cor Alons behoren tot de weinige overgebleven exemplaren van zijn hand. Veel van zijn vroege ramen, die gekenmerkt worden door soberheid en abstractie, zijn verloren gegaan. De vensters in de burgerzaal en in de raadszaal van Adriaan Grootens verbeelden de middeleeuwse huisindustrie van Twente tegenover de moderne stad compleet met flats zoals die er in Enschede in 1930 nog niet gebouwd waren. De mozaïeken werden door Jaap Bouhuys en door Willem Molin gemaakt, terwijl de kleden geweven werden bij het Paapje naar ontwerp van Betty Hubers en die voor Tom Poggenbeek bij de Beverwijkse weverij Kinheim.
  85. Johan Polet maakte het standbeeld van de bekende 16de-eeuwse geleerde Hugo de Groot. Van de geleerden uit de 17de eeuw werd Johannes Voet door Mari Andriessen uitgebeeld, terwijl Frits van Hall Ulricus Huber uit steen hakte. Hildo Krop gaf Simon van Leeuwen weer en Albert Termote mocht Cornelis van Bynckershoek uitbeelden. Joan Melchior Kemper uit de 18de eeuw werd door Oswald Wenckebach geportretteerd. De deuren werden ook door Mari Andriessen gesneden en Jaap Bouhuys ontwierp een mozaïek dat De Rechters voorstelt. De aan het Bauhaus opgeleidde weefster Kitty van der Mijll-Dekker en weverij De Knipscheer verzorgden de tapijten en andere stofferingen. (Bouwk. Wkb 1939, p. 66-71). Rick Roland Holst (1868-1938 werd door Bremer overgehaald om op de metershoge en –brede absisvormige achterwand boven het podium in de grote rechtszaal een kunstwerk te maken. De marmerincrustatie stelt vier figuren voor die De grote wetgevers der mensheid voorstellen: de priester Mozes, de profeet Solon, de wetgever Justinianus en Koning Napoleon. Roland Holst had de figuren zoveel mogelijk vereenvoudigd, bijna geabstraheerd om ze kracht bij te zetten. Toen eind jaren tachtig het gebouw onder slopershamers terechtkwam is de marmerincrustatie herplaatst in een onopvallende opstelling bij de entree in het gebouw van de Tweede Kamer van architect Pi de Bruin.
  86. W. van Leeuwen en H. Romers Een spoor van verbeelding. 150 jaar monumentale kunst en decoratie aan Nederlandse stationsgebouwen. Zutphen (1988), p. 20
  87. Wandschilderingen, die kwetsbaarder zijn dan tegels, werden indertijd alleen in interieurs en in veelal beschermde ruimten gemaakt, zoals de koninklijke wachtkamers met de omringende gangen en de wachtkamers eerste en tweede klasse in Den Haag en Amsterdam. Michel Hendrickx (1847-1906) bijvoorbeeld schilderde in het trappenhuis van het Haagse station HS (1891, Dirk Margadant) de allegorie van de Nijverheid. Het stelt een vrouw voor in een lange gedrapeerde rok met aan haar voeten putti's, waarvan een met een bijenkorf (nijverheid) en de ander met een hamer en tandwiel.
  88. W. van Leeuwen en H. Romers Een spoor van verbeelding. 150 jaar monumentale kunst en decoratie aan Nederlandse stationsgebouwen. Zutphen (1988), p. 57
  89. Corn. Elffers en A.A. van Nieuwenhuyzen, 'Nederlandsche Handel- Maatschappij NV te Rotterdam', Bouwkundig Weekblad (1951), p. 77-87
  90. Zie verder Bleij E. en M. Halbertsma, Beelden tegen de puin. Oorlogsmonumenten en monumentale kunst in Rotterdam 1940-1955, Rotterdam 1994
  91. A. van der Steur, 'De Twentsche Bank te Rotterdam', Bouwkundig Weekblad (1951), p. 25-34
  92. Zie hoofdstuk 3.5
  93. Forum 1955, p. 119
  94. Zie verder hoofdstuk betonreliëfs. Het bestuur van de school koos voor kunst, omdat het hoopte dat de leerlingen op deze manier zich niet alleen bewust zouden worden van de machines waarmee ze moesten leren omgaan, maar ook vanwege de handenarbeid van de kunst. Aan de voorgevel had Op de Laak een mannetje ontworpen dat sprekend lijkt op de 'Modulor' van Le Corbusier. Deze figuur houdt een arm omhoog en geeft daarmee de 'ideale' maten aan van de architectuur en haar verhouding tot de mens. Op de Laaks mannetje draait met zijn arm zwaaiend aan een betonmolen en geeft de nuttige arbeid aan die een man kan volbrengen.
  95. De andere in het boek genoemde kunstwerken zijn: 4 sculpturen van Ubbo Scheffer (no. 105) en een gevelreliëf van Frans Coppelmans in 1958 (no. 162) voor het Arnhemse stationspostkantoor, twee wandmozaïeken van Theo Linnemann (227) in het Amersfoortse postkantoor (1960).
    Niels Hamel ontwierp in het Utrechtse bijpostkantoor (265) een mozaïek.
    Gerda Rueb maakte de gevelsteen in het Goudsche telefoongebouw in 1961 (285). Er zijn echter veel meer opdrachten verleend die vaak maar moeilijk te achterhalen zijn omdat ze niet op gepubliceerde lijsten staan. In het boek De Rijksbouwmeesters staat een foto van het Amsterdamse postkantoor van Friedhoff aan de Sint Anthoniebreestraat met een schildering uit 1955 van Nol Kroes (1918-1976).
  96. Witte A. en E. Cleven, Design is geen vrijblijvende zaak, p. 199: De archieven van de PTT -kunstopdrachten zijn opgeslagen in het Nationaal Archief, 'Archief staatsbedrijf der PTT, 1906-1989, dossiers 1045-1989 sectie 218, 219 dossiers, mappen monumentale kunst: 'Het geven van opdrachten aan kunstenaars voor de decoratie van gebouwen van het staatsbedrijf der PTT, 1955-1988 beslaan ca 200 opdrachten. In sectie 218, map 4568, blijkt bijvoorbeeld ook dat de DEV niet alles voor het zeggen had. In 1974 pleitte Hein van Haaren voor meer invloed van de DEV bij de uitvoering van de éénprocentsregeling.
  97. Station 's-Hertogenbosch (1952) is ook gesloopt, maar andere opvallende stations zijn te zien in Vlissingen (1950) en Hoek van Holland (1950).
  98. Zie ook hoofdstuk glasappliqué.
  99. Voor een overzicht van in de jaren 1945-1951 verschijnende Nederlandse kunsttijdschriften zie: Victor Freijser 'de kunsttijdschriften en de receptie van de moderne kunst 1945-1951' in: Doorbraak 1984, pp. 173-191
  100. 'Het nieuwe van de Nieuwe Kunstschool is dat er geen kunst geleerd wordt. Wij leren tekenen, beeldhouwen, fotografie, reclame, typografie, modetekenen, weven, binnenhuisarchitectuur. Maar geen kunst. Kunst komt uit de mensen zelf voort.' Lezing van Citroen, 'Afrekening met het begrip kunstnijverheid', Stedelijk Museum, 1935 in: K. Löb (ed.) Paul Citroen en het Bauhaus, Utrecht Antwerpen 1974, pp. 76-81. Citroen gaf overigens vanaf 1935 ook Itten-achtig georienteerd onderwijs aan de Koninklijke Academie in Den Haag, waarmee hij in feite een van de grondslagen legde voor de naoorlogse bloei van de geometrisch-abstracte kunst in Den Haag.
  101. Jan van Adrichem, Beeldende Kunst en Kunstbeleid in Rotterdam 1945-1985, Rotterdam, 1987, p. 21.
  102. Ida Jager, Sterk van kleur- Grafiek in Rotterdam in de twintigste eeuw, Schiedam (TDS uitgevers), 2005
  103. B.Merkelbach, 'Enkele opmerkingen', Forum, 1948, pp. 217-218
  104. Brief van Gerrits aan W. Boers 1949 en Manifest Creatie Vereniging tot Bevordering van Absolute Kunst 1951, Van Dooren e.a. (ed.), Vrij Beelden en Creatie, Bussum 1996, pp. 109-110
  105. Nu in coll. SMA , deels afgebeeld in Nieuwe Synthese, 1988, p. 54 ; ook: Karsten 'Twee nieuwe schilderingen', Forum 1951, pp. 53-54. Karsten plaatste vraagtekens bij het revolutionaire gehalte van dit experiment: het was eerder op 'collegialiteit' dan op 'noodzakelijkheid' gebaseerd geweest. Qua expressiviteit had de samenwerking z.i. niets extra's opgeleverd. Karsten zou zich in 1954-55 inzetten voor de oprichting van de Liga Nieuw Beelden, waarin 'synthetische samenwerking' tussen kunstenaar en architect vooropgesteld werd.
  106. Acht Realisten – Visioen van het Alledaagse, tekst Maarten Beks, Venlo, 1983, p. 10 ( tent. Realisten uit zeven landen, SMA (november-december 1951) kunstenaars uit Frankrijk, België, Italië, Zwitserland, Zweden, USA en Nederland.
  107. Eenzelfde eerbetoon was tien jaar eerder ook al (te laat) aan Thorn Prikker bewezen, door de aankoop/opdracht voor de schilderingen op doek in de Amsterdamse Raadzaal. Met deze opdracht aan Roland Holst, had deze ook kunnen demonstreren, wat hij zichzelf willens en wetens (want hij was altijd tégen 'tentoonstellingen' geweest, die hij hardnekkig bleef associëren met de door hem gehate 'vrije kunst aan haakjes') in 1935 op de jubileumtentoonstelling van het Stedelijk Museum, 'Monumentale Kunst' had ontzegd: publiekelijk zicht geven op zijn kunnen als monumentaal schilder. Roland Holst was in de jaren twintig voornamelijk als glazenier actief geweest. Zijn laatste schilderingen waren de vignetschilderingen op eternietpanelen (1937) als vervanging van zijn geruïneerde caseïne-schilderingen uit 1904-1907 in de grote vergaderzaal van Berlage's ANDB-gebouw. Deze waren niet publiek toegankelijk en bovendien was het geen gemeenteopdracht. Zijn laatste grote Rijksopdracht, de marmerintarsia's in de Grote Zittingszaal van Bremers vernieuwbouw voor de Hoge Raad in Den Haag, waren in 1938 nog niet opgeleverd.
  108. F. van Burkom 'Als een Muis op het Kerkhof. Geduld en Deemoed uit Kariger Tijden', Jong Holland, 16(2000)3, pp. 29-40
  109. B. Hendriks, 'Amsterdamse wandschilders', Forum, 1952, pp. 255-264 Kritische besprekingen of afbeeldingen van Ap Muis ( gang en Aulaschildering Nieuwe Ooster); Lex Horn (wandschilderingen in kleuterschool Purmerweg 1948, en conversatiezaal WG); Theo Kurpershoek wandschildering in de Nieuwe Doelenzaal (verdwenen); Elga Eymer (in 1948) en Anton Rovers (in 1949) pendant wandschilderingen in de Van Diemenschool Javaplantsoen 19, nog in situ), Jeroen Voskuijl wandschildering kleuterschool Galileiplantsoen (1947), Joop Sjollema wandschildering (1949) in GGD-gebouwtje Karel Doormanstraat 127 Oost-Wgm; Jan Peeters geëtst raam (1949) GGD-gebouw Wingerdweg 52 A'dam-Noord (verwijderd).
  110. J.P. Mieras, 'Wandschildering in de koffiekamer van het Stadhuis te Amsterdam' Bouwkundig Weekblad, 1949, p. 381.
  111. W. Stokvis, Cobra, 1974, pp.185-189; M. Bax 'De Appelbar', Jong Holland, 3 (1987) 3, pp. 4-14, Bax ontkent om onduidelijke redenen dat de opdracht voor de foyerbar een vervangingsopdracht was.
  112. B. Hendriks, 'In Amsterdam zoekt men naar kale muren', Forum, 1954 (pp. 239 -247)
  113. C. Doelman, 'Muurschildering in het Zuiderziekenhuis te Rotterdam', Bouwkundig Weekblad, 1951, p. 415
  114. J.P.M. Mieras 'Naar aanleiding van de wandschildering in de hal van Sociale Zaken van Wilton-Feyenoord te Rotterdam. Hans Bayens, fecit Bouwkundig Weekblad 1954, pp. 353-354
  115. O.K.W. Mededelingen, 22, (1958), pp. 142-143 'wandschilderingen'
  116. Baksteen, 5(1963)1. Het nummer geeft meer voorbeelden, o.a. van een een schildering van André Verhulst in een lagere school te Eindhoven (Henri Staetslaan).
  117. Idem.
  118. A. Plasschaert, Muurschilderingen, Rotterdam 1926 (serie Toegepaste Kunsten in Nederland): in de jaren twintig kreeg de wandschilderkunst het (calvinistische) odium niet geschikte te zijn voor de vochtige en zilte combinatie van baksteenarchitectuur en Nederlands klimaat. Dat zou de reden zijn waarom ze in het verleden nooit was toegepast. Plasschaerts oordeel ging echter voorbij aan het feit dat de voor-reformatorische baksteenkerken in Nederland wel degelijk vaak ruimschoots beschilderd waren geweest (ook de houten bekappingen) en dat nu juist 'de witkwast' steeds een typisch protestants schildersinstrument was geweest. Het valse positivistische argument bleef echter hardnekkig rondwaren.
  119. G. Friedhoff, Katholiek Bouwblad, 1962, pp. 328-331
  120. Met dank aan Ype Koopmans en aan Marijke de Groot, die een tentoonstelling over Niehaus in MvMK in Arnhem voorbereidt.
  121. Een inventarisatie geeft: S. Braat en W. Hooites, 'Cultuurhistorische waardebepaling Gebouw Kerndepartement van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij', samengesteld i.o.v. RGD, Rijswijk (ICN), 2006
  122. Dit monumentale ensemble van (zeker vier: er is in de literatuur ook nog sprake van een schildering van Adriaan van der Plas) Rotterdamse topschilders uit de late wederopbouw, is een van de laatste van zijn soort in Rotterdam dat nog niet gesloopt en zelfs nog in redelijke conditie is. Al deze schilderingen zijn nu echter genomineerd voor vernietiging i.v.m. de renovatie-herbouw van het EMC. Zie ook: Dijkzigt Ziekenhuis Rotterdam, (foto's Helena van der Kraan, 2006), Kunstcommissie Erasmus MC, Rotterdam, 2007. Voor lijsten van opdrachtwerken van Dolf Henkes of Kees Franse en eventuele deelname daarbij van andere kunstenaars: M.van Riemsdijk, Kees Franse een Rotterdamse kunstenaar, Zwolle/Rotterdam, 1998 en vooral Gepke Bouma e.a., Dolf Henkes 1903-1989- eigenzinnig en ongrijpbaar, Schiedam, 2003
  123. A. Volkert 'de eenheid van taal en teken – de nieuwe wandschilderkunst van Joost van Roojen', Katholiek Bouwblad, 1965, pp. 66-69
  124. A. Buffinga, 'Avonturen in de ruimte', Bouw 1966 p. 1542 ev.
  125. zie: Fritz-Jobse/Van Burkom (ed.), Een Nieuwe Synthese – geometrisch-abstracte kunst in Nederland 1945-1960, Den Haag, 1988; Gerrits pp. 155 ev.
  126. Kath. Bouwblad, 1964, p. 542. bespreking van de tentoonstelling door A. Volkert, pp. 543-547
  127. Ineke Middag 'De voorgeschiedenis van de “Arnhemse School” ; de integratie der kunsten 1945-1966', in: I. Middag (red.), De Arnhemse School – 25 jaar Monumentale Kunst Praktijk, Arnhem, 1994, pp. 17-33
  128. C. Hoogveld, 'Atelier F. Nicolas', Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p. 296
  129. Gemeentehuizen in Breda, Roermond en Hilversum en het Philipskantoor in Eindhoven. De periode van de Tweede Wereldoorlog bracht Joep Nicolas door in New York, waar hij ook internationale bekendheid verwierf met zijn glaskunst.
  130. Geuer, Bart van der Leck en Hein de Vos kwamen uit Utrecht.
  131. Dael P.C.J. van, Richard Roland Holst, Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p, 318-319
  132. Op een prijslijst uit 1957 die de VbMK als inlegvel leverde bij het boekje Ruimte, Beeldende kunst in samenwerking met de architectuur, staan indicatieprijzen vermeld. Voor een glaskunstwerk van 1 m2 vroeg de VBMK een honorarium van 400 gulden en daarbij voor de technische uitvoering 200 gulden; voor 10 m2 rekenden ze 2200 gulden en nog eens 2000 voor de uitvoering en een glaskunstwerk van 50 m2 kostte de opdrachtgever f 7100,- en respectievelijk f 10.000,-. Uiteraard waren dat opdrachten waaraan lang gewerkt werd. Aan de wand voor de Nederlandse Bank, die ca. 10 bij 4,5 meter meet en 43 m2 beslaat, werkte Jules Chapon vier jaar.
  133. Het hoofdkantoor van voormalige Telefoondistrict van PTT-Telecom staat aan de Prins Bernhardstraat in Den Bosch. Fred van Leeuwen, 'Over Marius de Leeuw, - een beest dat geen kangeroo is -', Katholiek Bouwblad (1958), p. 103-108
  134. Redactie, 'Bosch erfgoed te grabbel op internet', Brabants Dagblad, 25 april 2006/ Mary van Erp, 'Jeroen Boschziekenhuis wil oude glas-in-loodwand voor nieuwbouw,' Brabants Dagblad, 7 december 2006
  135. edactie: 'Assy, een nuttig, agressief signaal', Bouw (1951), p.179; Redactie, 'Religieuze idee en artistieke vorm', Bouw (1951), p. 669
  136. Laarhoven J. van, De beeldtaal van de christelijke kunst. Geschiedenis van de iconografie. Nijmegen 1992, p. 286; Crevecoeur R., e.a., Kleurig glas in monumenten. Conservering van gebrandschilderd glas, Den Haag 1985, p. 17
  137. Ds. W.G. Overbosch, 1957, 'Op weg naar een protestantse iconografie', Forum (1957), p. 48-54
  138. www.protestantsegemeentewassenaar.nl
  139. www.amstelveenweb.com
  140. Leeuwen, F.van, Gene Eggen, ….(2005), p. 47
  141. Laarhoven J. van, De beeldtaal van de christelijke kunst. Geschiedenis van de iconografie. Nijmegen 1992, p. 286; Tweede Vaticaans Concilie p. 311, 312
  142. www.kerkgebouwen-in-limburg.nl
  143. http://www.kerkgebouwen-in-limburg.nl/view.jsp?content=640
  144. http://www.antoniuswaalwijk.com/index1.php?tekst=geschiedenis.htm
  145. In principe kan dat beschouwd worden als een voortzetting van de zestiende-eeuwse verticale kerkramen, zoals die van Lambert van Noort in de Oudekerk in Amsterdam (1555), waar binnen één lancetvenster een diepte gesuggereerd wordt door een perspectivisch geconstrueerde doorkijk.
  146. Het gebouw en het kunstwerk zijn in 2004 op het nippertje van sloop gered door het op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.
  147. Ook Jan Dijker, docent aan de Academie voor Beeldende en Bouwende Kunsten in Tilburg, heeft ook bijzondere abstracte ramen voor kerken en profane gebouwen ontworpen. De meeste kerken waarvoor Jan Dijker zijn abstracte glaskunst maakte, zijn al gesloopt of staan op de sloopnominatie. Gesloopt zijn: De Parochie van de Goddelijke Voorzienigheid in Bergen op Zoom met meterslange gevels van glas-in-lood uit 1964 en de Parochiekerk St Maarten in Tilburg met twaalf ramen van 2.5m bij 4.5m. De voormalige St Willibrorduskerk uit 1963, (Minckelersstraat 161 Hilversum), waar Dijker rechthoekige glas-in-betonpanelen van 3 bij 6 meter voor maakte, wordt binnenkort gesloopt. Zie verder: www.tgooi.info/kerken
  148. Hendriks B., 'Glas in beton', Cement (1965), p. 431-433
  149. Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, foto op p. 107
  150. Zie verder: Everaers, I., 'Frans Smeets', Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p 332; Berentsen R., 'Daan Wildschut', Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p. 360
  151. Moor C.N.M de, 'Werk in uitvoering', Forum (1954), p. 264 ev.
  152. Bij Glasindustrie Tetterode werkte de kunstenaar Joop van den Broek die veel glazeniers met raad en daad bijstond en problemen oploste.
  153. Later heeft Wildschut meerdere glas-in-betonwanden gemaakt om de muur te sluiten.
  154. Ch. Nielsen, J.H.C. Spruit en W. van de Kuilen. 'Gereformeerde kerk te Heemstede', Bouw (1961), p. 742-744; Nielsen Chr. 'Wandschilders en architect', Forum (1956), p. 35
  155. W. van der Kuilen en C. Trappenburg, 'Koningskerk te Amsterdam', Bouwkundig Weekblad (1957), p. 412. De voormalige gereformeerde kerk staat sinds 1995 bekend als de Evangelische Broedergemeente Hernhutters Amsterdam en staat aan de Van 't Hofflaan 20.
  156. Utrechts Archief, foto's: Beeldbank: catnr. 63939, neg.nr.: 22263, 22267, nr. 120087, Marshalllaan 139, Utrecht.
  157. Hendriks B., 'Glas in beton', Cement (1965), p. 431-433
  158. http://dissertations.ub.nl; Provoost M., Hugh Maaskant, 'Bouwen op de groei. Technikon en Akragon', 2003, p. 275
  159. Zie ook de Waardestelling, F. van Burkom, R. Crèvecoeur, ICN, 23-6-2003, Dr. O. Noordmansschool, Louis Couperustraat 129 in Amsterdam en www.aartroos.nl
  160. Leeuwen F. van., 'Glas en glazenier. Het werk van Frans Slijpen', Katholiek Bouwblad (1956), p. 327-331
  161. Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, foto p. 191. Het kunstwerk, dat van de grond tot de zoldering reikt, geeft een intense interactie tussen interieur en exterieur.
  162. Buffinga A., 'Glassculpturale ramen van Joop van den Broek', Bouw (1967), p. 1203-1207; Niemeijer E., Joop van den Broek, Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p. 215
  163. Otte M., 'Harry op de Laak' in: Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p. 271
  164. Het Evoluon, waarin Philips de nieuwste technische snufjes zoals een kleurentv toonde, werd in wervingscampagnes van de jaren '70 aangeduid als het evenbeeld van een vliegende schotel. Het gebouw zou door Frits Philips zelf bedacht zijn en geïnspireerd zijn geweest op diens bureaulamp. Zie ook: www.dse.nl/~evoluon/pdf/IlonaPeeters.pdf
  165. 168. www.dse.nl/~evoluon/doc/kihe_andreoli_nl.htm
  166. Hoogveld C., 'Monumentale beglazingen gedurende de periode 1945-1968', Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p. 194
  167. Hoogveld C., 'Jules Chapon', Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p. 221
  168. Haartsen T., De Wand des Tijd. Monumentale kunst rond de jaren 50, Nuth 2002, p. 22-23
  169. http://www.dekenaat-leiduinen.nl/kp-leiden.html
  170. N. Wichers, 'Ted Felen', Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p. 238; www.tedfelen.nl. Felen was met Jan Cremer de oprichter van de kunstenaarsgroep Nada.
  171. Haartsen T., De Wand des Tijds, Monumentale kunst rond de jaren 50, Nuth 2002, p. 30
  172. E. Bleij, Beelden tegen de puin, p.45
  173. Haartsen T., De Wand des Tijds, p. 30,31
  174. Leupen J., 'Een slotaccoord', Werk in Uitvoering (augustus 1960), p. 2, 3
  175. Tegenbosch L., 'Albert Troost', Katholiek Bouwblad (1954), p. 372-375
  176. www.flevolandbovenwater.nl; T. Haartsen, Wand des tijds, p. 26-27; Ploeg K. van, 'Het monumentale werk', in: Wal M. van, Johan Dijkstra 1896-1978, Groningen 1996, p. 153-185
  177. Eliëns, T., 'De Limburgse glasschilderkunst tijdens het interbellum', Glas in lood in Nederland 1817-1968, Den Haag 1989, p. 150
  178. Haartsen T., De Wand des Tijds, Monumentale kunst rond de jaren 50, Nuth 2002, p. 25
  179. Kunst en Bedrijf, Technieken in de beeldende kunst, z.p. 1971, p. 29. De korte omschrijvingen van de vele technieken werden vooral voor toekomstige opdrachtgevers geschreven, met zwart-wit foto's ter grootte van een pasfoto, waaronder een met een detail van Joop van den Broeks kunstwerk in een niet nader omschreven Co-op centrum
  180. Reijn T. van, Nederlandse beeldhouwers van deze tijd, Amsterdam 1949, p. 40-41
  181. Hammacher A.M., Beeldhouwkunst van deze Eeuw, Amsterdam 1955, p. 6
  182. Na 1951 werd zandsteen niet meer toegepast, omdat het de veroorzaker bleek te zijn van de longziekte silicose.
  183. Ype Koopmans, Muurvast en Gebeiteld, Rotterdam 1994, p. 113
  184. Woud A. van der, Waarheid en Karakter, p.15. Dat een gebouw karakter heeft, betekende dat het door zijn vorm, versiering en locatie, zijn functie en status op een duidelijke wijze tot uitdrukking bracht.
  185. De oorspronkelijke exemplaren waren van gebronsd grenenhout, maar zijn in 1989 vervangen door koperen replica's.
  186. Andere belangrijke gebouwen met beelden zijn: de vml. Nederlandse Bank (Turfmarkt Amsterdam, 1869, militair-architect Willem Froger) met in het timpaan de personificaties van het Verkeer te Water en het Verkeer per Spoor van Johan Koelman (1818-1893). Verder de Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam, het Physisch Laboratorium in Groningen en het Universiteitsgebouw in Utrecht, het Teylers Museum in Haarlem, het Departement van Justitie in Den Haag met beelden van Van Hove).
  187. De leidinggevende Van den Eijnde bekleedde tal van belangrijke posities: beeldhouwer bij de rijksdienst Landsgebouwen (van 1906 tot 1923), oprichter van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en redacteur van het tijdschrift Wendingen. Hij was opgeleid door Frans Stracké Jzn, (niet te verwarren met zijn neef, de hoogleraar aan de Rijksacademie Franz Stracké) en nog een beeldhouwer van de oude stempel met een indirecte werkwijze. Hij had een eigen atelier met op hoogtijdagen zeven practiciëns, zoals een gipsgieter en een mouleur, in dienst. Zie verder: Ype Koopmans, H.A. van den Eijnde 1869-1939, Assen 1994, p. 43 ev).
  188. In Amsterdam voorzag Publieke Werken (PW) naast openbare gebouwen, diverse scholen van kunst, zoals de in 1920 gebouwde Vijfde HBS met driejarige cursus (PW, toegeschreven aan Gerrit Jan Rutgers (1877-1962), aan de Zocherstraat met adelaars, slangen en twee meterslange beelden van Krop. Kunst werd immers gezien als een bijdrage leverend aan het beschavingsoffensief en zou op scholen des te meer op haar plaats zijn omdat haar doel bij de kinderen met 'de paplepel ingegoten' werd.
    Theo Vos (1887-1948) voorzag de top van de (hoek-)gevel van het Grand Hotel Centraal (Carlton, 1927) van architect Rutgers in Amsterdam van kalkstenen beelden met allegorische voorstellingen voor Het wereldverkeer en De continenten.
    Ook zo hoog op de gevel, als kolombeëindigingen, van de daar vlakbij gelegen Nederlandsche Handelmaatschappij uit 1926 (Karel de Bazel, 1869-1923), prijken de portretten van drie toen zeer gewaardeerde gouverneurs-generaal van Nederland- Indië, Jan Pietersz Coen, Herman Daendels en Johannes van Heutsz. Van den Eijnde (1869-1939) liet zijn ontwerpen in graniet uitvoeren. Aan weerszijden van de hoofdingang prijken de personificaties van Europa en Indië van Mendes da Costa.
    De beelden werden ook los aan de architectuur geplaatst. Een opvallende beeldengroep uit die tijd zijn grote vrijstaande, op pylonen geplaatste tufstenen ruiterbeelden die Toon Radeckers (1887-1960) in 1930 maakte voor de door Rutgers ontworpen woonblokken aan het Van Tuyll van Serooskerkenplein.
  189. De grote beeldengroepen, die Krop in 1924 vervaardigde voor de voormalige Eerste HBS en de Handelsschool aan de Jozef Israëlskade/ P.L. Takstraat verbeelden de Geboorte van de Daad (HBS) en die op de Handelsschool de Menselijke Energie. In 2005 bleken de beelden vervaardigd uit het zachte tufsteen onherstelbaar beschadigd en zijn ze vervangen door granieten replica's.
  190. Reijn T. van, Nederlandse beeldhouwers van deze tijd, Amsterdam 1949.
  191. Reijn T. van, Nederlandse beeldhouwers van deze tijd, Amsterdam 1949, p. 48, 50
  192. Bleij E. en M. Halbertsma, Beelden tegen de puin. Oorlogsmonumenten en monumentale kunst in Rotterdam 1940-1955, Rotterdam 1994, p. 44
  193. Karsten, Ch. 'Sonsbeek en de moderne beeldhouwkunst', Forum 1949, p. 338-340
  194. Hammacher A.M., Beeldhouwkunst van deze eeuw, Amsterdam 1955, p. 5
  195. Haaren H. van, André Volten, beelden voor de eigen ruimte: beelden voor de openbare ruimte, Rotterdam 2000, p. 10
  196. Forum 1946, p. 257-260
  197. Op de Rotterdamse tentoonstelling E55 (E55 = Energie 1955) stond de energie centraal.
  198. Dat deze schaalvergroting in de kunst pas in de wederopbouw haar weg vond, had in dit geval te maken met de tweestrijd tussen het Nieuwe Bouwen enerzijds en het traditionalisme met haar voorkeur voor baksteen en laagbouw anderzijds.
  199. Blok had de gevelplaat in grote, vierkante vakken van ca 80. kilo onderverdeeld en daarna haar ontwerp getekend en uitgesneden. Na het droogproces smeerde ze, voordat ze een tweede laag aangebracht, het geheel in met groene zeep om het negatieve deel gemakkelijk te scheiden van het positieve deel.
  200. Als jonge, veelbelovend kunstenaar werd hij geëerd met een koninklijke subsidie. Hij was ook actief in allerlei functies: zo was hij medeorganisator van de tentoonstelling De Opdracht (1956) in het Stedelijk Museum en vervulde hij vijf jaar lang het voorzitterschap van de VbMK tot 1962. Samen met Nico Wijnberg had hij in 1961 het tijdschrift Op Steiger opgericht, dat zesmaal verscheen. Het blad was met opzet Op Steiger genoemd om te wijzen op het feit dat deze kunstenaars het atelier verruild hadden voor de buitenlucht en het werk als ambachtelijke bouwvakkers op steigers verrichtten.
  201. Reneman voerde indertijd ook de Vlinderopera op. De associatie met vlinders is te meer ingegeven doordat de kunstenaar een paar jaar daarna de Insectensekte (1969) oprichtte. De sekteleden behartigden niet alleen de belangen van insecten, maar streden ook tegen insecticiden en milieuvervuiling in het algemeen.
  202. 208. Ittmann, lid van de Onafhankelijken en Creatie en na de fusie ook van LIGA Nieuw Beelden, heeft een periode in Parijs bij Ossip Zadkine (1890-1967) gestudeerd en heeft veel abstracte monumentale kunstwerken ontworpen, waaronder het houtreliëf in het Wibauthuis.
  203. De combinaties van materialen maakt het onmogelijk om afgebakende hoofdstukken te maken waarin alleen het betonreliëf wordt besproken. Het is niet te vermijden dat er overlappingen plaatsvinden met het hoofdstuk 'glas'.
  204. De Christus Koningkerk staat in Teken aan de wand als een kerk in Groningen, maar hij bleek na enig zoeken in Utrecht te staan dus. Renemans kerk is met de voorstudies voor de reliëfs in Teken aan de Wand gepubliceerd.
  205. Mededeling. A. Van Wilgenburg, (steen- en pleisterrestaurator te Zaltbommel) aan auteur. Van Wilgenburg, 'Case study', Cr interdisciplinair tijdschrift voor Conservering en Restauratie, voorjaar 2007, pp. 18-21 over Lex Horns sgraffito Ziekenhuisbezoek (1965), afkomstig uit het Amsterdamse Jan Swammerdam Instituut en in 2007 herplaatst in het AMC.
  206. De geadviseerde tarieven voor sgrafitto in MK Ruimte van de VbMK uit 1956, geven bijvoorbeeld voor 30 m2 sgrafitto bedragen aan van (honorarium) f. 3600,- + (preparatie in 3 lagen) f. 750,- + (schetsgeld normale opdracht) f. 575,-.(f. 4925.-). Een wandschildering van 30 m2 was een paar honderd gulden duurder (resp. f. 4250,- + f. 300,- + f. 575,- (f. 5125,-).
  207. Lex Horn, 'Over materialen en technieken van de beeldende kunsten in de architectuur', Forum, 1956, 1, p. 17 vv
  208. zie: Frans van Burkom e.a. (eds.), Leven in Toen, Zwolle, 2001, pp. 224-225, met kleurafbb. van sgraffito in situ. Voor zover bekend is nooit aandacht besteed aan de geschiedenis van de sgraffitotechniek in Nederland en van Prikkers sgraffito ontbreken de materiaal-technische details (het is mogelijk dat stucco werd gebruikt).
  209. Toorop ontwierp o.a. voor de goederen-/schippersbeurs ook bij Roosenburg in Den Haag uitgevoerde keramische wandfriezen. Maar net als die wandfriezen, voerde Toorop ook zijn sgraffito waarschijnlijk niet zelf uit. In het laatste geval deden dat professionele stucadoors.
  210. Beide sgraffito's werden in 1929 door Jo de Jong als afbeeldingen gepubliceerd in het overzichtsboek De Nieuwe Richting in de Kunstnijverheid in Nederland – schets eener geschiedenis der Nederlandsche kunstnijverheidsbeweging, uitgegeven bij Brusse in Rotterdam. Het boek verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de V.A.N.K. De mogelijkheid dat er meer voorbeelden bestaan (of bestonden) blijft natuurlijk open bij gebrek aan bestaand onderzoek daarnaar.
  211. Zie ook: K. Duysters e.a. (eds.), De Inrichting van de Beurs van Berlage, Zwolle/Amsterdam, 1995, p. 96-97. Met dank aan ICN-collega Rob Crevecoeur, die mij informeerde over het gips-stuccokarakter ervan.
  212. Duysters, ibid., (noot 6), pp. 100-101
  213. Frits Scholten, 'De inspiratie van Mendes da Costa', Kunstschrift, 41 (1997)1, pp. 10-17. Ceres is de Romeinse godin van het graan.
  214. E. Ebbinge,'Willem Coenraad Brouwer', in: Mededelingenblad NVVC, 97/98, 1980. p. 22 vv.; Marjan Groot en Karin Gaillard, 'Veelzijdige bedrijvigheid tusen ambacht en industrie' in: D. Wintgens-Hötte en A. De Jongh-Vermeulen (eds.), Dageraad van de Moderne Kunst – Leiden en omgeving 1890-1940, Zwolle/Leiden,1999, pp. 122-126. Brouwer bediende zich voor zijn vroege sgraffito-decoraties van Maori-motieven, die hij natekende in het Leidse Museum voor Volkenkunde. Hij was een fellow traveller in het milieu van Berlage's Nieuwe Kunst, waarvan ook Mendes da Costa (en Jan Toorop in mindere mate) deel uitmaakten. Thorn Prikker behoorde daar uitgesproken niét toe, die was met zijn nauwe contacten met de Belg Van de Velde en de Haagse Arts&Crafts-winkel van Wegerif juist een exponent van de door de Amsterdamse Nieuwe Kunst en 't Binnenhuis verachte florale 'sliertenstijl'.
  215. W. Dubelaar, Steenrijk Amsterdam. Een geologische stadswandeling, Amsterdam 1984
  216. Prikkers werk was bovendien niet erg bekend in Nederland, hoewel hij aan het eind van zijn leven nog wel enige, soms veel rumoer verwekkende, opdrachten had gekregen voor mozaiek en wandschilderingen in Nederland: stadhuis Rotterdam, Duinoordkerk Den Haag, stadhuis Amsterdam.
  217. K.Zijlmans, 'Een ongewenste vreemdeling: Heinrich Campendonk', Jong Holland, 1(1985)3, pp. 2-10. Roland Holst moest worden opgevolgd, wat na anderhalf jaar rumoer in 1935 toch weer resulteerde in de benoeming van een 'monumentaal', een Duitser bovendien: Heinrich Campendonk. Na de machtsovername van Hitler in 1933 waren zelfs door nazi's 'entartet' verklaarde Duitse kunstenaars hier verdacht.
  218. Des te meer omdat er vervolgens nooit meer iets van Lucy Steffens werd vernomen. Ze ontbreekt ook in Scheen. Haar aanwezigheid is met raadselen omgeven. Nergens is ooit nog een spoor van haar vernomen. Molin had in 1930 al kleine gemeentelijke opdrachten voor RA-studenten gekregen (mozaiek Gemeentelijke Meisjes HBS/ Gerrit van der Veenscholengemeenschap. Direct na zijn afstuderen kreeg hij samen met Jaap Bouhuys een opdracht van Friedhoff voor een mozaiek in het Raadhuis van Enschede en in 1936 weer een gemeenteopdracht voor kiezelmozaieken in GGD-gebouw Helmersstraat (verdwenen). Het rumoer over de opvolging van Roland Holst was in 1934 van dien aard, dat de uitvoering van de examenwerken misschien helemaal niet gecontroleerd is geweest. Is het opvallend fraaie natuursteen-intarsiamozaiek in het binnenportaal van het Geologisch Instituut ook van Molin en was dat voor Friedhoff vervolgens een reden hem voor Enschede te vragen? Molin beheerste de mozaiektechniek zeer goed. Het vloermozaiek in het Geologisch Instituut komt in de inventarislijsten vreemd genoeg voor als 'anoniem'. Hoe kwam het daar dan? Voerde Molin soms alle drié werken uit? Beide sgraffito's staan administratief (bij SMA kunstinventarisatie) vermeld als 'schenking kunstenaar', wat plausibel is als het om eindexamenopdrachten ging.
  219. De bij Dubelaar (o.c.n.10) vermelde sgraffito-handleiding van Willem Molin (het Molin-archief is in het GAA) is er niet op gecontroleerd, dus de conclusies zijn voorlopig.
  220. Met dank aan Martijn Andela, monumentenadviseur BMA, die me verder ook nog attent maakte op de vroege sgraffito's van Molin en Steffens in het Geologisch Instituut van UvA. Het plafondsgraffito van Hordijk is afgebeeld bij Haartsen, Wand destijds, 2002, pp. 160-61
  221. C.N.E. de Moor 'Werk in uitvoering', Forum, 1954, pp. 248-266; S.J. van Embden, 'Dr Neher-laboratorium te Leidschendam A. Rovers sgraffito en ceramiek', Bouw, 1956, pp. 934-954
  222. Eén sgraffito (zebra) afgebeeld ondermeer in: B. Hendriks, 'Sgraffito's in de Plantage'- Groenestein, Forum, 1952, p. 332; MK Ruimte, 1956
  223. 'Nieuwe tekens aan onze wanden', kroniek van kunst en kultuur, 1949, p .382, foutief vermeld als 'graffito in theehuis te Amsterdam'. Een verwant werk van Horn was te zien op Wandschilders Experimenteren.
  224. G. Westerink, 'Klaagmuur in Kampen, Kamper Almanak, 2004, pp. 169-177
  225. De huidige eigenaar laat het sgraffito restaureren en mogelijk binnen plaatsen.
  226. De Moor/Forum 1954/6, pp. 262-63; afgebeeld in kleur Haartsen, Wand, 2002, pp. 164-165 (als 1954)
  227. Wilma Jansen, Kunstopdrachten van de Rijksgebouwendienst, Rotterdam, 1995, chronologische opdrachtenlijsten per jaar: p. 18 als 1953. Jansens enorme rijkdom aan gegevens is soms niet helemaal compleet of juist, blijkbaar ten gevolge van gebrekkige administratie van de RGD zelf.
  228. Cement 1957, p.24-29
  229. Jansen, o.c. n. 19, p. 145, afb. 216 (in lijst p. 20 als 1960, in afbeeldingbijschrift als 1965)
  230. Jansen, o.c. n. 19, afb. 212; Horn staat ook nog vermeld in lijst p. 53 met een in 1974 uitgevoerd sgraffito in de Nederlandse Politie Academie te Apeldoorn. Dat moet dan zes jaar ná zijn dood zijn uitgevoerd, want Horn overleed in 1968.
  231. Afgebeeld in MK Ruimte, 1956. Ook Fiedlers sgraffito voor de school Meerhuizenplein uit 1953 is daar afgebeeld. Wijnbergs sgraffito is in december 2006 uit het Jumbopand aan de Kromboomsloot in Amsterdam verwijderd en opgeslagen en wacht op herplaatsing.
  232. Afgebeeld in Cement 1957, pp 24-29. Daarin ook afbeeldingen van de sgraffito's van Dick Ellfers voor Boks' uitbreiding van zijn Bouwcentrum in Rotterdam en Lex Horns sterk aan Elenbaas herinnerende sgraffito in Marcanti in Amsterdam (verwijderd). Omdat deze sgraffito's in Cement gepubliceerd werden, kan verondersteld worden dat gewerkt werd met cementmortel en niet met kalkmortel, maar zeker is het niet. Het tijdschrift Cement nam een vergelijkbare positie van industriële belangenbehartiging in als het tijdschrift Baksteen.
  233. Het zeer grote, in 1964 opgeleverde neo-Nieuw Zakelijke werkgebouw van gemeentearchitect Sargentini was bedoeld als eerste opmaat van de uitbreiding en algehele herprofilering van het Wihelmina Gasthuis-complex tot modern Academisch Medisch Centrum. Het oppervlak van het beschikbare bouwterrein bleek echter onvoldoende en Amsterdam bouwde zijn nieuwe Academische Ziekenhuis AMC uiteindelijk in de Bijlmermeer. Zie: Afscheid van een Amsterdamse kolos. Het verhaal van het Jan Swammerdam Instituut. Amsterdam, 2004
  234. Van Lemmen 'Nederlandse Jugendstil Tegels', Mededelingenblad NVVC 117-118, 1985/1-2
  235. Bogaers, Gaillard, Ten Horn, De Porceleyne Fles, Utrecht 1986, p. 13
  236. Fraai voorbeeld: de geheel in monochroom geglazuurd bouwaardewerk uitgevoerde voorgevel van het Amsterdamse Theater Tuschinski, 1921, ontwerp Barend Jordens.
  237. F. van Burkom 'Tintelend Nieuw en Nooit Gezien. Michiel de Klerks Postkantoor aan het Spaarndammerplantsoen', Jong Holland, 17(2001)3, pp. 38-39
  238. 'ESKAF' ,Vormen uit Vuur, 2000/1-2
  239. Bijvoorbeeld Geologisch Instituut UvA Roeterseiland/ A. Hulshoff en C. v.d. Wilk, 1934. B. Verbrugge , 'Keramiek in de Amsterdamse Architectuur 1880-1940 – Bouwaardewerk' in: Amsterdamse Monumenten 2 (1984)2, Amsterdam 1984, (uitgave Gemeentelijk Bureau monumentenzorg Amsterdam), passim
  240. tent.cat. Theo Dobbelmann 1906-1984, Nijmegen, 1990
  241. De nu vrijwel vergeten Tieman heeft, als technicus en vormgever, zeer veel en zeer divers commercieel werk ontworpen en uitgevoerd. Anders dan Dobbelman en Cosijn profileerde hij zich niet als ' vrij kunstenaar', maar stelde hij zich geheel in dienst van de smaak van de klant. Zie bijvoorbeeld de bespreking van architect Schelling in Bouwkundig Weekblad, 1957 van 'Beeldend Aardewerk', met afbeelding van werk van Tieman.
  242. bv. Frans Jacobs (1913-1985) hal Stadhuis Hengelo, arch. Berghoef, 1962 1,50 x 40m; Karel Appel, HBS Den Haag arch Oud; Karel Appel Bio Vakantieoord arch. Oud, 1960; Harry op de Laak (terreinscheiding in beschilderde handvormtegels 2,20 x 20m, Esso Raffinaderij Pernis), tegeltablaus in industrietegels, scherfmozaïeken, Jo Pessink, (Deventer, 1959, vml. Blikfabriek Thomassen en Drijver).
  243. Deze uitgevoerde opdrachten zijn in de toekomst weer te zien, wanneer de SS Rotterdam terugkeert naar haar thuishaven. zie: F.van Burkom, B. Laan, F. Loomeijer, ss Rotterdam (1959), een cultuurhistorische waardestelling, uitgevoerd in opdracht van ss Rotterdam BV, mei 2004; S. van Berkum De Rotterdam – de kunst van het reizen, Schiedam 2006, baseert zich inhoudelijk in belangrijke mate op het al in 2004 bijeen gebrachte materiaal. Voor Nico Nagler en de door de Fles gebruikte voortekeningen: Van Berkum, p. 194 en verder.
  244. Sotheby's Mak van Waay, De Verzameling Delft Porcelyne Fles, veiling 25-26.10.1977, Amsterdam/Delft
  245. Forum 1954/6; zie ook: Wijnand Galema, inventarisatie kunsttoepassingen Den Haag Zuid-West, i.o.v. Dienst Monumentenzorg Den Haag; Stroom, Den Haag '1951 DHZW 2007' –Toekomstig Erfgoed' (jan./febr. 2007)
  246. J.P. Mieras, 'De stille lach' Bouwk. Weekblad, 1955 en idem, 1961/2 pp.355 ev
  247. Bleij/Halbertsma, Beelden tegen de Puin Oorlogsmonumenten en monumentale kunst Rotterdam 1940-1955, Rotterdam 1994, pp. 77-79 (afbb)
  248. Duister , Maasbode, 21 september 1957 (met afb.)
  249. Voor een (nog niet compleet) conceptoverzicht van Van Roodes monumentale werk zie: Wobke Hooites, Louis van Roode Monumentaal kunstenaar, ICN inventarisatieproject Monumentale Wandkunstenaars, ICN Rijswijk, oktober 2006
  250. De overeenkomsten in visuele structuur tussen de abstract-expressieve, zeer kleurige scherfmozaiekvullingen die Gaudì aan zijn architectuur toepaste en die van het naoorlogse informele abstract-expressionisme, kunnen meegewerkt hebben om de esthetiek ervan acceptabel te maken voor Nederlandse ogen. Nederland kende Appel en zijn 'gestuurde toeval' van het 'maar wat aan rotzooien' immers door en door.
  251. F.J.E. Dekeukeleire 'Gebouw NV Reederij v/h Gebr. Goedkoop te Amsterdam, Bouwkundig Weekblad, 1961, p. 219. Gezien de huidige ontwikkeling van het Amsterdamse Westerdoksgebied zal het ensemble inmiddels niet meer bestaan.
  252. Het gaat zelfs nog verder: geplaatst tegenover de in 1955 opgerichte LIGA Nieuw Beelden, waarin onder aanvoering van de essayist en tot beeldhouwer geworden architect Charles Karsten, het sterk op De Stijl geïnspireerde, abstracte beeldingssynthetisme van architectuur en kleur werd gepropageerd, dan neemt Hendriks, met zijn essayistisch werk voor Forum en zijn meer materiële en figuratieve benadering van beeld, inderdaad een positie in die zich historisch laat vergelijken met die van Wijdeveld en Wendingen. (Forum was daarvan, als A&A-blad ook de erfgenaam). Karsten met het door hem volgeschreven LIGA-bulletin, is qua positie vergelijkbaar met die van Van Doesburg en De Stijl. Blijkbaar speelt dit soort, zich door de tijd héén herhalende, oriëntaties in op een oer-Nederlandse, christelijke dichotomie van lichaam en geest.
  253. T. Haartsen, De Wand des tijds, 2002, pp. 78-79
  254. Baksteen, 1960/3, p. 15-18
  255. Het in de twintigste eeuw soms voorkomende 'ver murail', gebrandschilderde scherven opaline glas, die in een scherfmozaiektechniek als wandbekleding werden toegepast (o.a. door de glazenier Joep Nicolas), vormt dus een wat bedachte fusie van mozaiek- en glazenierskunst, van zuidelijke en noordelijke tradities. Het is nooit populair geworden.
  256. Getooid als een Bruid, Haarlem, 1997, p.229
  257. Mienke Simon Thomas Jaap Gidding, Art Deco in Nederland, Rotterdam, BvB, 2006, pp. 106-114
  258. Tent. cat. HGM, Antoon Molkenboer . Ontwerpen voor Muziek en Toneel 1895-1917, november 1983; De St Antonius Abtkerk. Een Schevenings Monument, Scheveningen, 1988 (3)
  259. G. Friedhoff, 'Samenwerking tussen kunstenaars en architecten', Forum 1956/1, p. 33
  260. Mond. med. Harry op de Laak, Beesel, februari 2006
  261. T. te Duits, Geperst Glas uit Leerdam, Leerdam/Assen, 1991, passim
  262. J.P. Mieras, 'Amsterdam en Mozaiekkunst', BW 1949, p. 310
  263. O.K.W.-mededelingen, 1955, p. 165. Overtuigend is deze mystificatie niet: Friedhoff kan het bij wijze van spreken ook zelf hebben betaald.
  264. Contemporaine afbeelding in kleureproductie (!) in: Bouwkundig Weekblad, 1953, 51/52, p. 409
  265. T. Haartsen, De Wand des tijds, Nuth 2001, p. 60-61 (afb. Natuursteenmozaieken entree Shellgebouw, Den Haag)
  266. Chris de Moor, 'Werk in uitvoering' Forum, 1954/6, p. 250 (afb.)
  267. Hammacher die als talentscout voor dit prestigigeuze project van de Rijksgebouwendienst optrad, zal Elenbaas' grafiek op een van de tweejaarlijkse Delftse Contourtentoonstellingen hebben gezien.
  268. VbMK glasmozaiek: honorarium: 30 m2 f 12.000,- + materiaal f 9000,-; natuursteenmozaiek: f 10.000,- + f 6000,-; kiezel- en baksteen: f 9000,- + f 1200,-. Daartegenover: 30 m2 wandschildering: f. 4250,- + f. 300,- preparatie muur.
  269. Snelberekend komt dat op een totaal bedrag van f 117.500,-. (CBS-geïndexeerd voor 2006: x 5,5 = 6,5 euroton.) Van plaatsings- of afwerkingskosten wordt daarbij nog niet eens gerept in de VbMK-brochure; die vielen blijkbaar onder 'bouwkosten'.
  270. 'Decoratieve aankleding van rijksgebouwen en scholen' (publikatie van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen), Bouw, 11 maart 1961: “Het is gebleken, dat niet alle betrokkenen voldoende op de hoogte zijn van de regeling inzake de decoratieve aankleding van rijksgebouwen en van scholen die geheel of gedeeltelijk op kosten van het Rijk worden gebouwd...” Los van de RGD bleef OKW ook in de jaren zestig ijveren voor toepassing van de percentageregelingen.
  271. 'Mozaiek', O.K.W. Mededelingen, 1958, p. 282-283
  272. Scherfmozaiek wordt alleen vermeld als afvalmateriaal afkomstig van de natuursteenverwerking, niet als restproduct van de keramische industrie (wat het deels wel was).
  273. O.K.W. Mededelingen, 1957, p. 513 (inTeken aan de Wand, overigens vermeld als school in Delft)
  274. A.Volkert, 'Overdenking bij het mozaiek van Theo van Amstel, Kantongerecht Eindhoven', Kath. Bouwblad 1964, pp. 443-48; zie ook: Haartsen, De Wand des tijds, 2002, pp. 56-57
  275. Verwarring met J.J. (Jo) Voskuil (*1897) komt regelmatig voor in bronmateriaal., bijv. in de publicatie in Bouw 1959 over de betreffende school. Jo Voskuil heeft nooit monumentaal gewerkt, voor zover bekend.
  276. Niëllo bijvoorbeeld is een vultechniek in metaalciseleerwerk of 'intaglio'. De geëtste of gegraveerde ciselering wordt ingewreven met een zwarte pasta van zilver en zwavel, dat in vuur wordt uitgehard. Als zodanig vormt de techniek weer het begin van onze Europese grafische diepdruktechnieken: de gravure en de ets. Dan worden de groeven in het metaal met inkt gevuld en afgedrukt. Terrazzo is feitelijk een giettechniek, hoewel het in zijn resultaat nogal lijkt op steenintarsia. Een taaivloeibaar mengsel van gekleurde mortel en natuursteenbrokken of kiezels, wordt als pasteuze laag uitgegoten en na droging afgeslepen, zodat de steenbrokken weer zichtbaar worden. Romeinen, die voor hun architectuur al een soort gietbeton gebruikten, gebruikten hetzelfde soort mengsels als een goedkopere terrazzovariant voor vloermozaïek. Het is dus helemaal geen 'inlegwerk' – onze gegoten granito aanrechtbladen zijn er direct familie van. Als vloerafwerkingtechniek voert terrazzo terug tot het allervroegste neolithicum in Anatolië en blijkt ze al bijna tienduizend jaar oud.
  277. RKD fotodoc. N. Klaassen TWI/MK. Hoewel inlegwerk van tropische fineren en modern vliegverkeer nu een vrijwel ondenkbare combinatie lijken, bevestigt het – en dat binnen de context van de wet van de 'esthetische traagheid'- de connotatie van intarsia en 'luxe'. De transatlantische passagiersvaart kreeg in de jaren vijftig steeds meer concurrentie van het transatalantisch vliegverkeer en deze verbeeldde die concurrentiepositie door zich in exact dezelfde vormen te hullen. Meer in het algemeen definieert het verschijnsel de menselijke onmacht om nieuwe functies direct van nieuwe eigen vormen te voorzien.
  278. MK Ruimte, 1956, afb p. 36. Horn paste zich niet aan, aan het vaak conservatieve en retrograde karakter van dit soort luxe opdrachten. Zijn vormgeving wijkt niet af van zijn andere monumentale werk: kleurig en geabstraheerd.
  279. Tent. cat. Stichting Kunst en Bedrijf. Tentoonstelling van kunstwerken ontstaan in opdracht van of aangekocht door het nederlandse bedrijfsleven door bemiddeling van de stichting kunst en bedrijf, Den Haag, Pulchri Studio 18-21 maart 1958, z.p.
  280. Afb in: Ch. Wentinck, 'Nabeschouwing bij Opdracht', Katholiek Bouwblad, 1956, pp. 307-310
  281. MK Ruimte, 1956, afbeeldingen op p. 35
  282. Forum Opdrachtnummer 1956, nr 1, p. 25
  283. idem, p. 26
  284. Th. Haartsen, Wand des Tijds, 2002, pp. 170-171 (afb. Marmerwand in hoofdpostkantoor Zwijndrecht, 1966)
 
Volgende >
Inhoudsopgave