|
kustwerk bestaand uit samengevoegde gekleurde stukjes marmer, natuursteen, glas of keramiek in een specie.
Een techniek uit de oudheid die aanvankelijk voor de decoratie van vloeren werd gebruikt. Stukjes natuursteen in verschillende kleuren, soms ook wel gekleurd glas, worden ingelegd in specie.
Vanaf de vroegchristelijke tijd werd de mozaïektechniek steeds vaker gebruikt voor decoratie van gewelven. Byzantijnse kerken staan bekend om hun rijke mozaïeken met veel goud. In onze streken werd de mozaïektechniek minder vaak toegepast in gewelven, maar
wel in vloeren. In de negentiende eeuw betekende de neostijlen een opleving voor de mozaïektechniek, vooral in het katholieke deel van het land.
Na de tweede wereldoorlog vervaagt de associatie met kerkelijke kunst en wordt de techniek vaker in niet-religieuze gebouwen toegepast. De techniek kent twee methoden: • direct: de steentjes worden direct, vanuit de hand, in specie gezet • indirect: de steentjes worden eerst (ondersteboven en in spiegelbeeld) op een vel papier met daarop de schets geplakt en vervolgens overgebracht op de ondergrond, waarna eveneens gevoegd wordt. Vaak wordt bij de tweede variant de voorstelling aangebracht op een aantal panelen, die op de uiteindelijke locatie worden samengevoegd. De mozaïektechniek wordt zowel in het interieur als aan het exterieur toegepast.
Varianten:
- glasmozaïek (met scherven glas)
- keramisch mozaïek (met keramische ‘steentjes’ in diverse kleuren geglazuurd)
- kiezelmozaïek (opgebouwd uit kiezelstenen) • marmermozaïek (met stukjes marmer, soms slechts gedeeltelijk)
- natuursteenmozaïek (met gladde of ruwe stukjes natuursteen)
- schervenmozaïek (met scherven van tegels)
|