|
Donderdag 25 mei 2007 werd bij het Instituut Collectie Nederland de themadag Monumentale Wandkunst georganiseerd. Het gaat om kunst uit de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog, die is aangebracht in gebouwen zonder monumentenstatus. Daarom bevindt deze kunst zich bij dreigende sloop in de gevarenzone. De sprekers wezen op de bedreigingen en de mogelijkheden tot behoud van deze werken. Tijdens de bijeenkomst werd het rapport Monumentale kunst. Categoriaal onderzoek wederopbouw 1940-1965 gepresenteerd.
De zaal van het Instituut Collectie Nederland (ICN) zat vrijwel vol toen de Themadag Monumentale Wandkunst begon. Uit het hele land waren belangstellenden gekomen. De problematiek van de bedreigde monumentale wandkunst leeft dus in brede kring en dat is positief, stelde dagvoorzitterJan Wijle, die als hoofd van de afdelingen kunst in de openbare ruimte en architectuur is verbonden aan de stichting Stroom in Den Haag. Na een kort welkomstwoord van ICN-directeur Henriëtte van der Linden werden in tien lezingen diverse kanten van de problematiek belicht.
Frans van Burkom, adviseur van het ICN kwam als eerste aan het woord. Aan de hand van het wandkunstwerk dat eens het Minsterie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OK&W) sierde, ging hij in op vier kernvragen:
1) wat is monumentale wandkunst precies?
2) wat zijn de problemen en waarom?
3) wat is er met deze kunst gebeurd?
4) wat kunnen we er nu nog mee?
Bouwkunst, beeldende kunst en interieurkunst moeten in balans zijn bij monumentale wandkunst. Ter illustratie toonde Van Burkom een dia van de grote hal van het gebouw van OK&W dat in de jaren vijftig van de twintigste eeuw in Den Haag verrees. Architect was de toenmalige rijksbouwmeester Gijsbert Friedhoff. In de hal “van bijna religieuze allure”, zoals Van Burkom het noemde, was een mozaïek aangebracht van de kunstaars Jaap Bouwhuijs en Nel Klaassen. Het omlijstte de ingang van ministerszaal en symboliseerde de drie pijlers van het ministerie: onderwijs, kunst en wetenschap.
Monumentale wandkunst is vaak op niet-openbare plekken aangebracht waardoor het min of meer onzichtbaar is en dus gemakkelijk wordt vergeten. Het is moeilijk herplaatsbaar omdat het qua betekenis, identiteit en materiaalkeuze precies aansluit bij de plek waarvoor het is gemaakt. Het werk van Bouwhuijs en Klaassen kwam na afbraak van het ministerie terecht in het ICN-depot.
Na 1965 heeft zich een cultuurverschuiving voorgedaan in Nederland. De secularisatie leidde tot sluiting van kerken, de economische omstandigheden noopten tot bedrijfssluitingen, privatisering, vergroting van scholen en renovaties van stadswijken. De daarbij betrokken gebouwen kregen een andere bestemming of werden gesloopt.
Om bedreigde monumentale wandkunst te behouden dient men allereerst te beseffen dat het gaat om cultureel erfgoed. Vernietiging is niet alleen een kunsthistorisch verlies maar ook kapitaalvernietiging. Verder is het nodig alle nog aanwezige monumentale wandkunst te inventariseren en databestanden onderling te koppelen. Ook moeten waardecriteria worden voor monumentale wandkunst worden opgesteld. Ten slotte is het van belang kennis en draagvlak te genereren en die in te zetten bij het leefbaar houden van vernieuwingswijken.
Anita Blom, coördinator van het project Wederopbouw van de Rijksdienst Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) vertelde over de tentoonstellingen die het RACM heeft samengesteld om de waardering voor gebouwen uit de wederopbouwperiode te bevorderen. Deze tentoonstellingen konden door gemeenten gratis worden gebruikt op voorwaarde dat ze een eigen deel aan de expositie toevoegden. Getoond werden markante gebouwen uit de periode 1940-1965, zoals de stuw bij Hagestein of het Evoluon te Eindhoven.
Per 1 juli 2007 hanteert het RACM nieuwe regels voor selectie en beleid. De dienst heeft zojuist het rapport Monumentale kunst. Categoriaal onderzoek wederopbouw 1940-1965 afgerond, een inventarisatie van gebouwen van (inter)nationaal belang die jonger zijn dan vijftig jaar en worden bedreigd in hun voortbestaan. De studies naar deze gebouwen zijn in te zien op de website van de RACM, www.racm.nl. Ook de database wederopbouw is voor iedereen toegankelijk. Er zijn 27 onderzoekscategorieën, te beginnen met religieus erfgoed.
Nu het rapport klaar is. moeten afspraken worden gemaakt over de uitvoering ervan. Blom benadrukt dat monumentenzorg een kwestie is van samenwerking. Uitvoering en beleid moeten worden gedecentraliseerd. Zaken als de relatie tussen het aantal monumenten en de hoeveelheid subsidie, stedelijke vernieuwing en veiligheid, integratie en complexiteit zijn complicerende factoren. Blom sloot haar betoog af met een optimistisch stemmend voorbeeld: de Villa Schöne. Dit woonhuis van de dochter van Bart van der Leck is sinds kort monument en zal als zodanig behouden blijven.
Kunsthistorica en juriste Annemarie Beunen, verbonden aan het Centrum voor Recht in de Informatiemaatschappij aan de faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Leiden, belichtte de juridische mogelijkheden die een kunstenaar (of zijn erven) heeft wanneer zijn/haar werk wordt bedreigd met sloop. Hij/zij kan zich beroepen op drie in de wet omschreven mogelijkheden:
1) het persoonlijkheidsrecht, een onderdeel van de auteurswet. “Het recht zich te verzetten tegen elke misvorming of andere aantasting van het werk” geldt tot 70 jaar na de dood van de kunstenaar op voorwaarde dat het eigendom per testament aan de erven is overgedragen.
2) een onrechtmatige daad.
3) misbruik van eigendomsrecht.
De eisen kunnen zijn: een sloopverbod, vergoeding van de materiële schade, en vergoeding van de immateriële schade.
De rechter maakt een afweging tussen de belangen van de eiser en de gedaagde. Bij uitspraken in het verleden is gebleken dat de uitspraak afhangt van de interpretatie van het begrip sloop. Beschouwt de rechter dit als een daad van ultieme aantasting of niet? Voorts spelen factoren mee als gebruiksfunctie, openbaarheid, overheids- danwel particulier bezit, ouderdom van het werk, kunsthistorisch belang, enzovoort. Beunen gaf diverse voorbeelden van in het verleden gevoerde zaken en hun verschillende uitkomsten. Ook deed zij een aantal aanbevelingen. Een kunstenaar kan bij het aannemen van een opdracht voor monumentale wandkunst ‘voorzorgsmaatregelen’ nemen, zoals: de onderhoudsplicht laten opnemen in het contract; een kettingbeding voor de toekomstige eigenaren vastleggen; de mogelijkheid van verplaatsing, opslag of zelfs sloop contractueel regelen; bedingen dat de kunstenaar wordt betrokken bij een eventuele herplaatsing danwel bij dreigende sloop de mogelijkheid krijgt zijn werk terug te nemen of ten minste te documenteren.
Tot slot wees Beunen op een aantal alternatieven zonder tussenkomst van de rechter:
a) het bestuursrecht: burgemeester en wethouders (B&W) kunnen voorwaarden stellen t.a.v. behoud/herplaatsing van kunstwerken en in sloop- en bouwvergunningen eisen dat een Kunstwerken Effect Rapportage (KER) wordt uitgevoerd);
b) de bouwsector kan zelfregulatie toepassen d.m.v. de NVM-Commissie Gedragslijn museale beroepsethiek (niet bindend);
c) er kan documentatie op internet worden gezet (na toestemming en in overleg met de kunstenaar of zijn erven);
d) monumentale wandkunst kan worden opgeslagen in het depot van een wederopbouwmuseum (de opslagkosten zijn daarbij een complicerende factor).
In de pauze werd het RACM-rapport Monumentale kunst. Categoriaal onderzoek wederopbouw 1940-1965 door Anita Blom en Yvette Spoelstra aangeboden aan Henriëtte van der Linden. Zij spraken de hoop uit op een verdere, nauwe samenwerking met het ICN.
Het tweede deel van de ochtend was gewijd aan de stadsvernieuwing in Den Haag Zuid-West waar de wijken Moerwijk, Morgenstond, Bouwlust en Vrederust een ingrijpende modernisering hebben ondergaan. Gertjan Giele, gebiedsmanager voor Den Haag ZuidWest bij de Dienst Stedelijke ontwikkeling van Den Haag liet zien hoe men te werk is gegaan: zorgvuldig en zoveel mogelijk met behoud van onderscheidende elementen en kunsttoepassingen in de buurt. In de lunchpauze werd dit nog eens geïllustreerd door de doorlopende diavoorstelling Toekomstig erfgoed over kunst in de openbare ruimte in Den Haag ZuidWest.
Architectuurhistoricus Wijnand Galema vulde Gieles betoog aan met een toelichting op de inventarisatie van de monumentale wandkunst in het gebied. In opdracht van de gemeente Den Haag zijn 89 werken van 49 kunstenaars geïnventariseerd. Zesenzestig daarvan zijn geplaatst in scholen, de overige voornamelijk in kerken en instellingen. Het gaat om muurschilderingen, tegels (ingemetseld), mozaïeken, glas-in-loodramen, fresco’s, een in de muur uitgefreesd werk (Exoduskerk), cement- en sgraffitowerk. Niet alle werken zijn monumentaal. Ook verdwenen werken, waaronder een vroeg werk van Peter Struycken, werden geïnventariseerd.
Beide lezingen vormden de basis van de discussie waarmee het ochtendprogramma werd afgesloten. Dagvoorzitter Jan Wijle stelde de vraag hoe reëel behoud eigenlijk is. Giele gaf toe dat het niet eenvoudig is. “Je kunt het werk wel willen behouden maar hoe haal je het uit een gebouw, wie wil het hebben en vooral: wie betaalt de kosten?” Van Burkom bevestigde dat. “Het ICN adviseert, maar heeft verder geen zicht op de financiële kant. Herplaatsing is moeilijk omdat de kunst is gemaakt voor een specifieke plek en functie.” ICN-adviseur Rutger Morelissen voegde daaraan toe dat niet alleen moet worden gekeken naar het kunstwerk maar ook naar de relatie met de architectuur, wat kan neerkomen op het behoud van het gebouw. Is sloop onvermijdelijk dan moet herplaatsing worden overwogen. Een herplaatsingsdatabase voor monumentale wandkunst kan daarbij een hulpmiddel zijn. Ten slotte moeten architecten en projectontwikkelaars bewust worden gemaakt zodat “herplaatsing ‘sexy’ wordt,” aldus Morelissen. Spoelstra wees erop dat een glasraam van Marius de Leeuw via internet door een pariculier is aangekocht. De heer Van Asbeck (Erfgoedinspectie) vroeg zich af waarom herintegratie van kunstwerken geen eis aan architecten is. Giele antwoordde dat dit wel gebeurt, maar vaak op verzet stuit.
Een korte rondvraag in de zaal leerde dat diverse gemeenten, w.o. Apeldoorn en Leeuwarden, al bezig zijn met een inventarisatie van monumentale wandkunst. Morelissen verzocht alle inventarisatieactiviteiten te melden bij het ICN zodat het instituut ondersteuning kan bieden.
In het middagprogramma was er aandacht voor een drietal geslaagde reddingen van kunstwerken.
Simone Vermaat, conservator en clustermanager bij het ICN, bracht twee voorbeelden in beeld, beide gemaakt door Dolf Henkes (1903-1989). Het eerste werk voor het Feyenoordstadion in 1937 werd na een modernisering weggetimmerd. Bij de restauratie van het stadion kwam het tevoorschijn en is in oude luister is hersteld.
Haar tweede voorbeeld betrof een portret van professor Van ’t Hoff, directeur van raffinaderij Nerefco (later Caltex, nu Texaco) in Pernis. Van ‘t Hoff ontving in 1901 de Nobelprijs en daarmee kreeg zijn portret, dat Henkes in 1955 schilderde voor de muur van de bedrijfskantine, ook cultuurhistorische waarde. Bij de sloop van de raffinaderij werd het portret verwijderd en na restauratie in 2005 herplaatst in de Hogeschool van Rotterdam.
Een derde voorbeeld van een spectaculaire redding werd belicht door Sabrina Kamstra, hoofd Kunstzaken van het Amsterdams Medisch Centrum (AMC). Dit ziekenhuis heeft een uitgebreide kunstcollectie waarin de sgrafitto van Lex Horn, afkomstig uit het voormalig Swammerdam Instituut (één van de instellingen waaruit het AMC is voortgekomen) goed past. Kamstra ging in op de principiële, financiële en technische aspecten van de redding. Het monumentale werk van Horn is nu in het AMC te zien.
Maarten van Bommel, programmaleider Schilderkunst van het ICN, introduceerde een plan van aanpak voor Monumentale Wandkunst waarin wordt samengewerkt met de Rijksgebouwendienst, de RACM, RKD en drie gemeenten. Doelen zijn:
1) kennis verzamelen, bundelen en verspreiden.
2) een waardestellend kader opstellen.
3) beheer en behoud stimuleren en verbeteren.
4) de problematiek onder de aandacht brengen van professionals (restauratoren, conservatoren, adviseurs en onderzoekers) en een breed publiek.
Er wordt gekeken naar de huidige stand van zake, maar ook naar het verleden: welke werken waren er, wat is daarvan over en door wie zijn ze gemaakt? Daarbij wordt gekeken naar het kunsthistorisch belang van de monumentale wandkunst en naar de relatie ervan met de architectuur. Begonnen wordt met een proefinventarisatie van tien kunstenaars.
Als bronnen worden gebruikt: internet, de RKD-archiven, archieven en bibliotheken van stedelijke musea, gemeentearchieven, beeldende-kunstcentra, historische verenigen en particuliere verzamelaars die in het bezit zijn van ander werk van makers van monumentale wandkunst.
Na ontsluiting van de archieven en het digitaal ontsluiten van databases streeft men naar het geven van praktische richtlijnen ten aanzien van advies, behoud, beheer en de juridische aspecten daarvan. Voorts wil men komen tot een gedetailleerd documentatiesysteem en een waardestellend kader. Het project loopt tot eind 2009. De beoogde resultaten zijn: de opzet van een cursus over het omgaan met de criteria; het zoeken naar subsidiemogelijkheden; het opzetten van een netwerk en publieksparticipaties; het genereren van publiciteit.
De laatste voordracht van deze middag werd verzorgd door Rutger Morelissen, adviseur ICN, die inging op de mogelijkheden van internet als behoudsinstrument. De kern van het probleem, zo stelde hij, is collectief geheugenverlies. Internet is een uitstekend instrument om het geheugen op te frissen. Een website kan de bedreigde kunst zichtbaar maken, een platform creëren voor professionals, beheerders en eigenaren van kunstwerken alsmede het grote publiek en het kan gereedschappen voor een beter beheer aanbieden. Op de website zal een waardestellend kader worden aangegeven alsmede richtlijnen voor selectie, behoud en verantwoord afstoten. Daarnaast komt er informatie op over de gebruikte technieken, er zal een herplaatsingsdatabase worden gestart en er komt informatie beschikbaar d.m.v. literatuuronderzoek, links, adressen van deskundigen, bronnen en artikelen, onderzoeksresultaten en voorbeelden van restauratie en herplaatsing.
Na deze laatste lezing volgde een afsluitende discussie met de zaal over de vraag wat er na 2009 moet gebeuren. Opnieuw vielen de termen bewustwording en kennisvergroting. Daarna ontstond enige discussie over de begrenzingen van dit project. Van Burkom gaf aan dat het ICN zich beperkt tot de periode 1945 tot uiterlijk 1970. Morelissen stelde dat vrijstaande beelden niet onder dit programma vallen, ook omdat deze gemakkelijker te herplaatsen zijn, maar dat wandtapijten er wel zijdelings bij zijn betrokken. Hij opperde dat het begrip gebouwgerelateerde kunst misschien adequater is dan monumentale wandkunst.
Voor dagvoorzitter Wijle reden de dag af te ronden met de conclusie dat de afbaking van het begrip misschien nog eens nader bekeken kan worden. Ook wees hij op het belang van goede praktijkvoorbeelden en stelde dat het behoud van monumentale wandkunst veelal afhangt van het enthousiasme van individuen die “zich gedragen als zendelingen”.
Met zoveel ‘zendelingen’ in de zaal is er beslist hoop voor de monumentale wandkunst.
Nelly de Zwaan
juni 2007 |